Travel Tales 


Marcel:"Ik ben kunsthistoricus en ga op de verschillende locaties op zoek naar bijzondere musea en kunstcollecties. Regelmatig gaan mijn verhalen dan ook over opmerkelijke kunstwerken of opvallende gebouwen. Ook verdiep ik me vaak in de geschiedenis van de stad waar we op dat moment zijn. Typische gewoontes of gebruiken en bijzondere persoonlijkheden komen ook geregeld aan de orde."

Lees hier de verhalen van Marcel.


Judith: "Ik ben een echte kenner van het fenomeen reizen. Na mijn opleiding en allerlei functies in de reiswereld, ben ik mij gaan specialiseren in alles wat met reizen en hospitality te maken heeft en over mijn bevindingen schrijf ik graag. Gemiddeld check ik meer dan 80 maal per jaar voor één of meerdere nachten in bij hotels. Regelmatig sta ik stil bij mijn verblijf in een bepaald hotel, of schrijf ik over dingen mij opvallen bij de (buitenlandse) horeca." 

Lees hier de verhalen van Judith.

 


Kortom; wekelijks een aantal interessante, authentieke kunst- en reisverhalen. Veel leesplezier!




Alle Travel Tales bij elkaar:

De Nachtwacht is incompleet

Net als verleden week wisselen in Amsterdam ook deze week de zonnige momenten zich af met stevige regenbuien en daarom koos ik ervoor om op de vele natte ogenblikken van de dag gewoon weer eens lekker een boek te gaan lezen. Er liggen bij mij thuis noch talrijke exemplaren ongelezen te wachten en terwijl ik langs mijn boekenplanken dwaalde, viel mijn oog op de welsprekende titel ‘De Restauratie’.
Op de voorkant van dit boek staat De Nachtwacht en de titel in combinatie met de afbeelding laat dus niets aan de verbeelding over. Ik vermoedde al dat dit boek over iets ingrijpends met betrekking tot één van onze belangrijkste, zo niet het belangrijkste, kunstwerk uit onze Nederlandse kunstcollectie zou gaan. En inderdaad, al lezend kwam al vrij vlot aan de orde dat aan het begin van de 18de eeuw, om precies te zijn in 1715, De Nachtwacht verplaatst is van de Kloveniersdoelen naar het Amsterdamse stadhuis, thans het huidige paleis op de Dam.

Van het moment dat Rembrandt dit meesterwerk afrondde in 1642 tot 1715 hing het beroemde doek in de grote feestzaal van de Kloveniersdoelen aan de Amsterdamse Nieuwe Doelenstraat. 


Toen was de afmeting van het doek ongeveer 5 meter bij 3,87 meter. De plek waar De Nachtwacht in het stadhuis zou komen te hangen, namelijk in een zaal tussen twee deuren, was een stuk kleiner dan de plaats waar hij oorspronkelijk hing. Men besloot toen om De Nachtwacht aan te passen aan zijn nieuwe omgeving en dat betekende dat er aan de linkerkant een enorme reep van het imposante schilderij moest worden afgesneden en ook een deel van de bovenkant was het zelfde lot beschoren. De Nachtwacht die wij tegenwoordig in het Rijksmuseum kunnen bewonderen is dus een gekortwiekte versie die ontstaan is na deze verhuizing.

Sinds de negentiende eeuw vraagt men zich af wat er met de twee enorme repen canvas die na de verkleining overbleven is gebeurd. Zou de man die deze ingrijpende handelingen heeft uitgevoerd de stukken gewoon bij het grof vuil hebben gezet? Of zag men toen ook wel de waarde van deze restanten in en heeft men het beschilderde linnen van de beroemde meester opgerold en ergens op een zolder van één van de vele grachtenpanden neergelegd? Of heeft men het lange repen doek in handzame stukken gesneden en hebben achttiende eeuwse schilders dit hergebruikt om kleinere schilderijen op te zetten? 


Van het laatste gaat de schrijver van mijn genoemde boek uit en hij schreef er een boeiend stukje fictie over met als uitgangspunt een aantal voldongen feiten, waarvan ik hierboven al enige genoemd heb.

We weten overigens precies hoe het originele werk van Rembrandt eruit zag dankzij het feit dat kapitein Frans Banninck Cocq, die prominent samen met zijn collega luitenant Willem van Ruytenburgh op De Nachtwacht staat, direct in zijn tijd al een (kleine) kopie heeft laten schilderen door de zeventiende eeuwse schilder Gerrit Ludens. Dit schilderijtje hangt tegenwoordig enkele meters van het bekende topwerk op de Nachtwachtzaal van het Rijksmuseum.

Met mijn dochters besloot ik daarom enige dagen geleden, toen de straten in Amsterdam weer een beetje opgedroogd waren, naar het Rijksmuseum te gaan om eens te gaan kijken hoe het meesterwerk er oorspronkelijk uit gezien moest hebben en hoe hij er tegenwoordig bij hangt. Met Alizia en Chloé naast mijn zijde liepen we van het gekopieerde werk van Ludens naar het origineel van Rembrandt en weer terug. 

We herhaalden dit ritueel enkele keren en kwamen erachter dat er ooit aan de linkerkant op de echte Nachtwacht twee extra schutters stonden. Ook had de man met de helm aan de linkerkant nog een enorme veer op zijn hoofddeksel die nu door de afsnijding verdwenen was. De kruitjongen, eveneens links, steunde ooit met zijn handen op de leuning van een brug, die eveneens niet meer te zien is. We kwamen er achter dat kapitein Frans Banninck Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh eigenlijk het schilderij ‘in kwamen gelopen’ terwijl ze nu heel statisch in het midden van het beroemde werk staan. Ook de poort waar het hele gezelschap onder staat is door de verdwijning van het bovenstuk grotendeels verdwenen en dus de hele entourage waar de hele schuttersgroep stond is geheel veranderd door de achttiende eeuwse verkleining van het werk.


In het genoemde boek dat ik las weten de hoofdpersonen een groot deel van de verdwenen gedeeltes weer terug te vinden en dat leidt zoals de boektitel al aangeeft tot een drastische restauratie van De Nachtwacht naar zijn oorspronkelijke formaat. Om het boek spannend te maken heeft de auteur het in een soort detective-stijl geschreven en elk hoofdstuk gebeurt er wel weer iets spannends in de zoektocht naar de verdwenen Nachtwachtstukken.

In werkelijkheid heeft men helaas (nog) niet kunnen achterhalen waar de ontbrekende delen van De Nachtwacht ooit gebleven zijn. Het is een mysterie of ze überhaupt nog bestaan. Het zou echt wereldnieuws zijn als daadwerkelijk de verloren linnendelen gevonden zouden worden. Misschien toch eens een reden voor mij om hier wat meer onderzoek naar te doen, want ook de vinder zou direct wereldberoemd zijn. Laat ik maar eens beginnen met mijn zolder opruimen, misschien kom ik een aanwijzing tegen.

 

Marcel Verhoeven, Stedenkenner

verhoeven@kunststad.nl


Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.

Wilt u met mij mee op reis?

Klik dan op het logo van KUNSTSTAD voor meer informatie.



0 Berichten

Beroemde personen uit De Pijp

Op het moment dat ik dit verhaal schrijf kijk ik uit over een grijs en regenachtig Amsterdam. Redelijk mooie dagen wisselen zich af met dagen met zware bewolking en regen; een typische Nederlandse zomer zoals ik dat eigenlijk mijn hele leven al gewend ben. Ik klaag niet, maar als het om mooi zomerweer gaat dan moet ik toch echt weer even aan mijn geliefde Málaga denken.

Toch hou ik ontzettend van mijn geboortestad en ben ik ook erg verzot op mijn woonwijk De Pijp. Ik schreef al eens een jaar geleden over allerlei bijzonderheden van deze karakteristieke buurt in Oud-Zuid (klik hier voor mijn verhaal hierover) en er is nog veel meer opmerkelijks over dit stukkie Mokum te vertellen. Zo zijn veel historische figuren verbonden met De Pijp; de beroemde volkszanger André Hazes bijvoorbeeld zag er het eerste levenslicht en zong zijn eerste liedje op een sinaasappelkistjes op de Albert Cuypmarkt. 

De bekende dichter Simon Vinkenoog groeide met zijn alleenstaande moeder op in de Pijp en deed er zijn eerste inspiratie op voor zijn poëzie. De schrijver Piet Bakker woonde aan het begin van de 20ste eeuw in de Van Ostadestraat en ging in diezelfde straat op nummer 102 naar de lagere school. 


Bakker’s bekendste boeken gaan over de avonturen van het straatschoffie Ciske Vrijmoeth, die beter bekend is als Ciske de Rat. Natuurlijk schiet dan meteen de verfilming van dit boek uit de jaren tachtig met Danny de Munck in je gedachten. Terwijl ik dit opschrijf zie ik vanuit mijn raam in diezelfde natgerende Van Ostadestraat in mijn gedachten Ciske de Rat met een petje op door de plassen springen en mijn straat krijgt opeens een hele bijzondere lading.  

Een andere beroemde bewoner uit De Pijp is Leo Gestel. Deze belangrijke avant-gardistische schilder begon zijn carrière in 1903 in deze wijk. Hij huurde in dit Amsterdamse Quartier Latin, zoals de buurt toen als een soort verwijzing naar de Parijse kunstenaarswijk, genoemd werd een zolderetage. Deze zolderverdieping in de Tweede Jan Steenstraat nummer 80 werd al snel de Jan Steenzolder genoemd en collega-kunstenaars en kunstliefhebbers kwamen er bij elkaar. Zo was zijn kunstenaarsvriend Jan Sluijters hier ook regelmatig te vinden. 


Zij hadden elkaar ontmoet op de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijs in Amsterdam. Dit was gevestigd in één van de bijgebouwen van het  Rijksmuseum en de studenten konden zo direct de ‘klassieken' in het naastgelegen museumgebouw bestuderen. 

Jan Sluijters (1881-1957) woonde in 1906, na het winnen van de Prix de Rome, tijdelijk in Parijs, waar hij de invloed onderging van de moderne Franse schilderkunst. Van 1907 tot 1909 had Sluijters een atelier aan de Kostverlorenstraat in Amsterdam-West. Vanuit het venster van zijn werkplaats legde hij het uitzicht vast. Hij schilderde onder ander de houtzaagmolens aan de Baarsjes in west, die trouwens ook in De Pijp te vinden waren. Een derde kunstenaar die zeker niet ongenoemd mag worden, die tot deze vriendenclub behoorde en voor een bepaalde periode in De Pijp vertoefde was Piet Mondriaan. Hij ging namelijk in 1898 in de Albert Cuypstraat wonen. Mondriaan stond toen nog aan het begin van zijn loopbaan. Hij trok om te schilderen en inspiratie op te doen vooral vaak de drukke stad uit en was met name langs de rivier het Gein te vinden. 


Toch ligt waarschijnlijk een bepaald deel van de basis voor zijn beroemde ‘Composities in Blauw, Geel en Rood’ in mijn geliefde wijk De Pijp in Amsterdam-Zuid en al deze mijmeringen over bekende personen zorgen ervoor dat toch langzaam de zon weer een beetje gaat schijnen.

 

Marcel Verhoeven, Europakenner

verhoeven@kunststad.nl



Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.

Wilt u met ons mee op reis? Klik dan op het logo van KUNSTSTAD voor meer informatie.



De juiste ‘tools’

Mijn kinderen leer ik om netjes te eten. Mond dicht als je kauwt, niet praten als je eet,  regelmatig je mond af vegen met een servetje en zelfs met mes en vork eten is al aan de orde. Natuurlijk gaat dat lang niet altijd goed, want de meiden zijn nog pas tweeënhalf en vier. Maar ik moet zeggen dat ze erg hun best doen en trots zijn op het feit dat ze weten wat ‘netjes eten’ inhoudt. Naast hun eigen kennis en wil moeten ze daarnaast natuurlijk ook de tools beschikbaar hebben om te eten zoals het hoort, zoals een bestek. Het gebeurt regelmatig dat als we ergens in een restaurantje eten, de meiden standaard geen mes op tafel krijgen. Ik denk dat het bediend personeel ze te klein inschat voor het gebruiken van het volledige bestek. Dit wekt trouwens grote irritatie bij Chloé en Alizia, want die voelen zich natuurlijk al enorm groot en zijn duidelijk gepikeerd als ze met dat soort belangrijke zaken overgeslagen worden. Ze willen namelijk wel serieus genomen worden.

Een andere ‘tool’ om fatsoenlijk te eten is het eerdergenoemde servet. Als we iets drinken en een klein hapje bestellen in een café of in een hotelbar is het toch erg fijn om dan, zoals we het de kinderen ook leren, je handen en mond af te kunnen vegen. 


Te vaak echter krijgen we een snackje op tafel zonder doekjes daarbij. In de horeca zou ik deze, als ik ht voor het zeggen had, altijd meeserveren, of zoals je soms wel eens ziet, standaard op tafel hebben staan. Het maakt mij eigenlijk niet zo veel uit of ze van stof op papier zijn. Tijdens een uitgebreid diner waardeer ik een stoffen servet, echter ik durf te stellen dat hoe luxe textiel ook is papier eigenlijk handiger voor kinderen is omdat papier beter absorbeert. Hoe vaak gebeurt het niet dat er wat vocht op de tafel komt of dat mijn dochters een keer knoeien. Papier werkt in zo’n geval dus beter dan stoffen servetten. Over de verschillende soorten servetten die er zijn kom ik graag nog eens terug. Tja, als hotel- of restaurantmanager heb je dus op dit punt ook nog wat om over na te denken.

Nog even terugkomend op een bar- en hotelverblijf met kinderen. Vooral in Zuid-Europese landen vindt men het heel gezellig als er kinderen aanwezig zijn en aangezien de mijnen nogal erg blond haar hebben krijgen ze in die contreien volop aandacht, want die kleur vinden ze daar prachtig. Heerlijk om dat als moeder te ervaren natuurlijk. 


Ik waardeer de aandacht die ze krijgen dan ook, maar er zit wel een groot nadeel aan. De dames en heren die in het hotel of in de bar werken zijn allemaal zo aardig dat ze de meiden heel graag verwennen met snoepjes en koekjes. Een enkele keer is dat natuurlijk geen probleem, maar het gebeurt met zo’n regelmaat en soms meerdere keren per dag dat het gewoon niet verstandig is om steeds alles te accepteren. Een enkele keer kan ik een ober er nog net voor behoeden om voor de zoveelste keer met een schaaltje zoetigheid aan te komen. Mocht dit een keertje niet lukken dan zeg ik hem vriendelijk dat de meiden er slechts één snoepje van af mogen pakken en dat hij het schaaltje dan maar weer mee moet nemen.
Plezieriger vind ik het als mij vooraf gevraagd wordt of het goed is als er snoepjes gebracht worden. Dan kan ik zelf aangeven of dat akkoord is of niet. Laatst gebeurde het dat de manager van het restaurant keurig netjes zacht aan mij om goedkeuring vroeg en ik kon antwoorden dat ze liever maar geen suikerwaar zou geven. De kinderen hadden immers die middag al genoeg zoetwaar verorberd.  


Enkele minuten later kwamen de meiden echter toch aanwandelen met zo’n dikke snoeparmband, waar je steeds kleine gekleurde harde balletjes van af kunt eten. Het bleek dat een van de serveersters Chloé en Alizia zag, ze zo schattig vond en gelijk in de snoepdoos dook om hen iets lekkers mee te geven. Dat was dus niet helemaal handig van haar en ik zou horecamedewerker willen aanraden, hoe goed bedoeld ook, om dat toch echt eerst even aan de ouders te vragen.

 

Judith de Groot

Hospitalitykenner


Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.

Wilt u met ons mee op reis? Klik dan op het logo van KUNSTSTAD voor meer informatie.



Art Brut in de tuin van het Rijksmuseum

Nadat ik weer een paar weken in het prachtige Málaga had vertoefd, brak dit weekend toch het moment aan dat ik naar mijn geliefde geboortestad Amsterdam terug zou keren. Terwijl mijn vliegtuig zaterdagmiddag de daling inzette en we laag over de Noordzee en de Nederlandse kust vlogen had ik prachtig uitzicht over het typerende Hollandse landschap. Het deed me denken aan mijn Travel Tales van enkele weken geleden waarbij ik over de 17de eeuwse landschapsschilderijen en het Hollandse Licht schreef (klik hier voor mijn recente verhaal hierover). Eigenlijk gelijkertijd besloot ik om direct deze week weer naar het Rijkmuseum te gaan om dit soort kunst weer eens te bewonderen.

Toen ik gisteren de daad bij het woord voegde en met mijn dochters naar het Rijksmuseum ging, werd ik nog voor dat ik bij de museumentree was al direct verrast door een bijzondere tentoonstelling. In de tuin van het Rijks was namelijk een tijdelijke tentoonstelling te zien met beelden van de beroemde Franse kunstenaar Jean Dubuffet (1901-1985). Chloé en Alizia renden meteen op de opvallende sculpturen af en wij genoten gezamenlijk van de prachtige kunstwerken. De beelden van Dubuffet vallen op door hun gefragmenteerde opbouw en hun primaire kleuren wat het een feest maakt om naar te kijken.


Het is bekend dat Dubuffet tijdens zijn artistieke leven onder meer een grote belangstelling voor tekeningen van kinderen had en ik vraag me dan ook af dat dit de reden is dat mijn dochters zo enthousiast zijn van zijn kunstwerken. De sculpturen in de tuin van het Rijks lijken een soort reuzen uit sprookjes of hebben iets weg van rotsen die tijdelijk tot leven zijn gekomen en vervolgens zijn ‘bevroren’. Dubuffet noemde zijn kunst Art Brut en dat kwam niet alleen door de stijl van zijn werk maar ook door het materiaalgebruik. Bij zijn beeldhouwwerken gebruikte hij met name polyester en bij zijn schilderijen hanteerde hij niet alleen verf maar ook zand, modder, klei, asfalt, glas en allerlei andere niet gangbare materialen om mee te schilderen.

Mijn dochters ontdekten trouwens dat naast de sculpturen van Dubuffet in de Rijksmuseumtuin ook nog wat klimrekken van de vermaarde architect Aldo van Eyck stonden en die moesten natuurlijk ook nog even uitgeprobeerd worden (klik hier een ouder verhaal van mij hierover). Ik kwam er ondertussen achter dat in het nabijgelegen Stedelijk Museum ook een tijdelijke expositie was met werk van Dubuffet. Het ging hier met name om zijn werk op doek en papier. 


Ik besloot om mijn geplande bezoek aan het Rijksmuseum even uit te stellen en hiervoor in de plaats naar het Stedelijk te gaan.

Hoe mooi was het om op deze manier een nog uitgebreider beeld van Dubuffet te krijgen.

In het Stedelijk Museum was het heerlijk rustig en toen we de zaal met de Dubuffet-tentoonstelling kwamen kregen Alizia en Chloé direct het ‘feest van herkenning’. Hun nieuwe kunstheld was zogezegd in de smaak gevallen en bij de typerende ‘mannetjes’ op de schilderijen van Dubuffet, die inderdaad veel weg hadden van de figuren die zij zelf vaak tekenden, hadden mijn dochters zelfs een liedje bedacht. Er werd rustig en ingetogen door mijn meiden gezongen in de museumzalen en ik werd er helemaal blij van.

Tenslotte viel hen nog een heel grappig geschilderd hoofd op, dat inderdaad voldeed aan de term Art Brut. De verf voor dit ‘portret’ was aangelengd met gips en leek hierdoor meer een reliëf of sculptuur dan een schilderij. We moesten er om lachen en dachten eerst dat het een fantasiefiguur was. Echter toen we de wegliepen en we bij de ingang van de expositie een gigantische foto van Jean Dubuffet zelf zagen kwamen we erachter dat het genoemde sculpturale werk dat we zojuist gezien hadden wel om een zelfportret moest gaan. 


Dubuffet had ook een groot rond kaal hoofd met half-open mond met ongelijke tanden. Het geschilderde zelfportret en het gefotografeerde gezicht van Dubuffet zullen mijn dochters en ik niet snel meer vergeten.

 

Marcel Verhoeven, Europakenner

verhoeven@kunststad.nl


Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.

Wilt u met ons mee op reis? Klik dan op het logo van KUNSTSTAD voor meer informatie.



Op zoek naar personeel

Van de week stond ik al in de hotelkeuken, ergens ver achter de ‘coulissen’, terwijl ik op zoek was naar een ober die mijn bestelling op kon nemen. Ik had namelijk een behoorlijk stuk buiten gewandeld in de warme zon en verging van de dorst. Toen ik bij het hotel terug kwam had ik dus wel zin in een lekker verfrissend drankje. Inmiddels zat ik al een tijdje te wachten, zonder dat ik iemand van het bedienend personeel zag. Na verloop van tijd werd ik een beetje ongeduldig en ging uiteindelijk maar op zoek naar iemand die mij kon helpen. Dit leidde er dus toe dat ik zomaar ineens in de keuken van het hotel stond. Het leverde mij gelukkig wel het gewenste resultaat op, want ver achter in een hoekje stond de serveerster even te pauzeren, bijna vanzelfsprekend druk in de weer met haar mobiele telefoon. Ze schrok zichtbaar dat ik als klant zomaar ineens naast haar stond in de keuken en ze verexcuseerde zichzelf dat er niemand van het personeel in de hotelbar was. Ze liep gelijk met me mee en vroeg mij natuurlijk en passant wat ik wilde drinken. Fijn, na wat wachten en persoonlijke actie werd tenslotte mijn dorst gelest en kon ik met een koel drankje bijkomen in de rustige hotelbar.


Dit scenario, dat het behoorlijk lang duurt voordat er iemand naar je toe komt om je bestelling te noteren, kom ik helaas regelmatig op vele plekken in Europa tegen. De ene keer maakt het me niet zoveel uit dat mijn geduld op de proef wordt gesteld, maar de andere keer ben ik wat ongeduriger en kan ik me hier behoorlijk aan irriteren.

Gek genoeg vind ik het tegenovergestelde van dit fenomeen ook niet echt prettig. Ik bedoel dan het feit dat personeel er weliswaar direct is om je bestelling op te nemen, maar dat ze daarna vervolgens om je heen blijven ‘zoemen’ en elke minuut weer aan je tafel verschijnen. Het ene moment vragen ze dan of alles naar wens is, een minuut later komen ze om je wijn bij te schenken en weer wat later om toch nog even tussendoor te vragen of alles echt in orde is. Begrijp me niet verkeerd, ik waardeer het enorm als men mij als welkome gast waardeert en aandacht aan me geeft, maar zeg nou zelf, dat kan soms ook een beetje veel worden. Helemaal als je bijvoorbeeld net in een druk gesprek met iemand zit of juist even rustig zit na te denken en daarbij niet gestoord wil worden.


Het is natuurlijk ook best moeilijk en een hele kunst voor hotelmedewerkers en voor barpersoneel, om in te schatten hoe je een gast het beste kun benaderen en wanneer je hem of haar even met rust moet laten. Als gastheer of gastvrouw in een hotel dien je, om je werk goed te doen, die vaardigheden echter wel een beetje te hebben. Misschien maakt dit wel het kleine verschil tussen een goede of een uitstekende gastheer zijn. Een interessant gegeven om een volgende keer eens op terug te komen.

Als het gaat om aan- of afwezigheid van barpersoneel viel mij tenslotte van de week nog iets op. Ik zat in een hotelbar te werken in een kwaliteitshotel waar ik redelijk frequent kom. Vaak zit ik daar heerlijk relaxed en uiterst op mijn gemak. Dit keer was het er echter juist erg onrustig. Het was mooi weer en hierom was het terras buiten geopend en dat trok nogal wat bezoekers. Het leek alsof de drukke bezettingsgraad op het terras het hotelpersoneel overviel en men zich er geen raad mee wist. De obers renden op en neer tussen het terras en de bar, ondertussen tegen elkaar op luide toon roepend om allerlei bestellingen en instructies gevend. Mijn inziens helpt dat ‘druk doen’ niet echt en misschien heeft het juist wel averechts effect. Dat vermoeden van mij leek te kloppen want dat ik zag dat er een aantal keer geprikkelde gasten aan de bar verschenen met de klacht dat drankjes niet doorgekomen waren of dat men de verkeerde hapjes geserveerd had gekregen. Daarnaast bevordert snel en nerveus voortbewegend personeel ook niet de normaal zo rustige atmosfeer binnen. Het werd min of meer een heel schouwspel waar ik maar naar bleef kijken, waardoor ik niet meer aan werken toekwam. Het leverde mij echter wel voldoende inspiratie op voor dit blog en dat was natuurlijk ook wat waard.


Judith de Groot

Hospitalitykenner


Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.

Wilt u met ons mee op reis? Klik dan op het logo van KUNSTSTAD voor meer informatie.



“Aquí Murió Picasso”

Al weer bijna twee weken vertoef ik in mijn geliefde Málaga en inmiddels begint deze Zuid-Spaanse stad voor mij behoorlijk vertrouwd te raken. Tijdens de tweeënhalve jaar dat ik hier met enige regelmaat en met veel genoegen kom heb ik hier al vele bijzondere plekjes en locaties leren kennen. Ik voel me hier zogezegd dus al behoorlijk thuis. Zoals ik al eens eerder schreef (klik hier voor mijn eerdere artikel) heeft de stad een groot aantal bijzondere musea met prachtige collecties, echter het valt me regelmatig op dat deze bezienswaardigheden niet erg druk bezocht worden. Uiteraard vind ik deze rust in de betreffende musea niet erg want dan kan ik samen met mijn dochters lekker rustig genieten van alle kunst zonder dat er andere mensen voor de kunstwerken staan. Echter één museum in Málaga is trouwens wel een echte publiekstrekker en daar kom ik zo op terug.

Op sommige plekken, met name in het oude centrum van Málaga, kan het natuurlijk ook regelmatig behoorlijk druk zijn, maar dat hoort bijna vanzelfsprekend bij zo’n aantrekkelijk stad.


Bij nadere bestudering viel mij op dat als er veel publiek op straat is, dit met name Malagueños (zo heten inwoners van de stad Málaga) of mensen uit de nabije omgeving zijn. Dat hoor ik onder andere aan de Spaanse taal die zij spreken en ik zie het ook aan hun uiterlijk. Natuurlijk komen hier ook veel toeristen, die dan weer opvallen doordat ze het hele jaar door buitengewoon zomers gekleed zijn; mannen met (te) korte sportbroekjes aan en vrouwen met minitopjes met spaghettibandjes of helemaal strapless, met blote schouder die vaak akelig rood verbrand zijn in de plaats van mooi bronsbruin.
De enige momenten dat er echt even een behoorlijke piek qua toeristen is te zien, is als er een cruiseschip in de haven van de stad heeft aangelegd. En heel soms zijn dit er zelfs wel eens twee tegelijk. Dan wemelt het echt van de buitenlandse bezoekers in de oude havenstad en dan hoor je om je heen een kakofonie van vreemde talen. 


Maar aan het einde van de middag, als het cruiseschip weer aanstalten maakt om te vertrekken, keert de betrekkelijke rust weer terug. Of beter gezegd, na de siësta of eigenlijk nog iets later, zo rond een uur of acht ‘s avonds, nemen de ‘locals’ de stad weer over en heerst er wederom een ouderwetse Spaanse bedrijvigheid.

Toch vinden bepaalde oorspronkelijke bewoners het door mij beschreven toerisme en de daarbij horende drukte in Málaga al een bedreiging begint vormen. Vreest men soms toestanden zoals in Barcelona of ons eigen Amsterdam? (Klik hier voor mijn recente blog hierover) Er zijn zelfs reeds protesten tegen de ‘relatieve’ drukte van het toerisme alhier, waaronder een zeer ludieke actie in de vorm van een bijzonder kunstwerk. De Spaanse kunstenaar Eugenio Merino vindt namelijk dat er, om toeristen naar de stad te trekken, teveel aandacht besteed wordt aan Picasso in Málaga, terwijl hij slechts de eerste 10 jaar van zijn leven hier doorbracht. 


Hij heeft daarom een buitengewoon realistisch beeld gemaakt van Pablo Picasso die opgebaard ligt in een stadspaleis in het centrum en waar men de laatste eer kan bewijzen aan deze kunstenaar die hier 136 jaar geleden in Málaga is geboren. Bij deze plek in het centrum van Málaga heeft Merino nu (tijdelijk) een bordje neergezet met “Aquí murio Picasso” (hier stierf Picasso).

Men kan nu volgens de folder die de kunstenaar eveneens heeft gemaakt, een toer maken langs alle belangrijke plekken uit Picasso’s leven, namelijk zijn geboortehuis, de kerk waar hij is gedoopt, de stierenvechtersarena waar hij als jonge jongen kwam en tenslotte de plek waar hij dood is gegaan en opgebaard ligt. De oplettende lezer weet dat Picasso de grootste periode van zijn leven in Frankrijk  heeft gewoond en daar ook op 91 jarige leeftijd is overleden. Maar dat heeft Eugenio Merino opgelost door het wassenbeeld van de ‘dode Picasso’ in het gebouw van de Alliance Francaise in Málaga tentoon te stellen en hierdoor bevindt het zich toch een beetje op Frans grondgebied. 


Volgens de kunstenaar kunnen dan alle Picasso-fans zich massaal naar Málaga begeven en hoeven ze eigenlijk niet eens meer naar Frankrijk. En…. zo zou het, waarschijnlijk grappig en kritisch bedoeld, weer een beetje drukker in de stad kunnen worden.

 

Marcel Verhoeven, Europakenner

verhoeven@kunststad.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


Ik zit in de kou met een koel glas jus d’orange

Net als verleden week deel ik graag ook nu weer een aantal van mijn gedachtespinsels en beschrijf ik situaties waar ik afgelopen tijd figuurlijk tegenaan liep tijdens mijn verblijf in verschillende hotels, onder meer in Spanje. Als kritische hotelgast staan je gedachten natuurlijk nooit stil en blijf je in je hoofd allerlei hotelzaken aanpassen en veranderen. Uiteraard zijn er trouwens ook ervaringen die ik uitstekend vind en zeer kan waarderen.

Een heerlijk drankje na een lange reis

“Dat was weer een vermoeiende reis. Ook al vliegt de tijd tijdens zo’n reis letterlijk en figuurlijk, maar 2,5 uur in een vliegtuig en alle rompslomp op de luchthaven hakken er toch altijd weer behoorlijk in. Wat fijn dat ik nu in dit mooie hotel aankom. Wat is het hier mooi! Oh, kijk nou, dit ziet er uitnodigend uit. Een fles water, vruchtensap en zelfs een fles cava staan er koud. Ik heb net mijn paspoort en credit card afgegeven en het zal nog wel even een paar minuutjes duren voordat de hele checkin procedure is afgerond. Het is nog vroeg, dus ik hou het even op een glas koele jus d’orange. Of zal ik toch een feestelijk glaasje bubbels nemen?”


Bbrrrr, koud

“Buiten in Málaga is het circa 30 graden, heerlijk. Jammer dat ik een tijdje binnen moet zitten, maar er moet natuurlijk ook gewerkt worden en dat lukt nou eenmaal aan een tafeltje in de lobby het beste. Het is helemaal zonde dat ik het nu zelfs koud krijg. Ik trek maar even een truitje aan. De airco staat in het hotel wel erg hoog. Ik snap het wel hoor, want ik heb wel eens gehoord dat het een teken van luxe is om, als het buiten erg warm is, de airco goed koud te zetten. Toch heeft het niet mijn voorkeur. Toen ik net even naar buiten stapte kreeg ik echt ‘een klap in mijn gezicht’ en voelde de temperatuur nog warmer aan dan het is. 


Oh ja, ik herinner me het trouwens ook nog andersom. In januari was het buiten een aangename temperatuur van 19 a 21 graden. Een typische milde winter in Málaga. En wat deden die Malagueños in ditzelfde hotel? Men stookte de verwarming binnen lekker op en ik zweette peentjes van de hitte. Ik bestel denk ik nu maar even een lekker kopje warme koffie.”

Verblind door het licht

“Wat een zee van licht hier in de hotelkamer. Het interieur is zo mooi, maar door het licht krijgt het letterlijk een koele uitstraling. Wat jammer nou. In sommige culturen hebben ze mijns inziens gewoon geen gevoel hoe met sfeerlicht om te gaan. De Nederlandse ‘gezellige’ atmosfeer wordt toch vaak ook deels gevormd door lichtgebruik. Maar goed, Spanjaarden zien dat anders. Misschien is veel en felle verlichting ook wel een vorm van luxe en comfort. Ik heb in mijn kamer echter nu het gevoel dat ik een theaterpodium opwandel en ik vol in de schijnwerpers sta.  


Ik zat net wel met een dilemma, want het is ook nog eens zo dat alle lichten uit of alle verlichting aan moeten staan, want het systeem werkt nog niet optimaal in dit nieuwe hotel. Ik vroeg net bij de receptie of ze niet een klein bedlampje hadden, want als de kinderen straks slapen dan zie ik zelf dus geen hand voor ogen meer. Er wordt geklopt, even opendoen. Aha, de oplossing wordt aangedragen. Niet echt de meest efficiënte moet ik zeggen, jeetje wat een enorme soort schemerlamp moet ik op mijn nachtkastje zetten.”

Pas ik in de lift?

“Fijn, twee groepen van drie liften zijn er aanwezig in dit hotel. Ik heb een hekel aan wachten en al helemaal op een lift die steeds vol zit met mensen en ik er dus niet meer bij pas. Hier moet dat dus geen probleem zijn. Daar gaan we, de deur gaat open en ik rij de kinderwagen zo naar binnen. Hé, wat is dat nou, de kinderwagen past niet door de liftdeur. Dat is raar. Ok, onze kinderwagen is iets breder dan andere, maar normaal gesproken is er een soort standaard afmeting van liften en passen we precies door de deur. Zal dat met alle drie het geval zijn? 


Hoe doe ik dat nu, want als ik op de knop hier druk, gaat deze kleine lift weer open en daar pas ik dus niet in. 

Ik heb een idee, ik druk in die lift gewoon op de zevende verdieping en dan spring ik er snel weer uit. Zodra deze op weg naar boven is druk ik hier buiten weer op de knop om een andere lift op te roepen. Het werkt! Daar komt de volgende aan. Oh nee, deze is ook te klein! Dan heb ik nog één kans. Hup, lift twee is ook naar de zevende verdieping gestuurd en lift nummer drie komt er aan. Gelukkig, drie keer is scheepsrecht, hier pas de kinderwagen precies door de deur. Dat scheelt me weer een hoop werk met het inklappen van de wagen en dergelijke.”

Een fluwelen vuilnisbak

“Je gooit als mens toch behoorlijk wat weg op een dag, dat merk ik nu weer. Eerst had ik het niet zo in de gaten en wierp ik alles in de prullenbak die in de kamer staat. Het enkele andere afvalbakje staat namelijk bij de wc en is erg klein. Hup, daar ging mijn appelschil in de prullenbak in mijn hotelkamer. Ik zag echter gisteren pas dat ik toch even moet opletten wat ik in het vuilnisbakje in de kamer gooi, want het is namelijk wel een erg chique uitvoering. Hij is van binnen bekleed met fluweel. Het ziet er op zich best mooi uit, maar praktisch is het natuurlijk niet. Mijn appelschil maakt het fluweel vies en hoe krijg je als kamermeisje zo’n bak weer schoon? Dat zijn toch van die kleine dingen waar je als verantwoordelijke voor de hotelinrichting over na moet denken.”  


 

Judith de Groot

Hospitalitykenner

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


Hollandse en Spaanse Luchten

Vanochtend was ik in het Picassomuseum hier in Málaga en ik genoot niet alleen van alle mooie schilderijen van Picasso, die tot de vaste collectie van dit bijzondere museum behoren, echter ik werd in dit zelfde museum ook getrakteerd op een bijzondere tijdelijke tentoonstelling met prachtige werken van de Britse schilders van de schildersgroep ‘School of Londen’. Op deze expositie hangen schilderijen van Francis Bacon, Lucien Freud, Frank Auerbach, Kitaj en andere beroemde na-oorlogse meesters! Deze tentoonstelling is echt een aanrader en voor kunstliefhebbers die in Zuid-Spanje zijn echt een must!

Wat heeft Málaga toch een overdadig aanbod aan kunst, verspreid over verschillende musea in de stad en ik schreef hier al eens eerder over (klik hier voor mijn eerdere artikel)

Nadat ik zogezegd van de bovengenoemde kunst had genoten, wandelde ik richting de haven mijn geliefde Zuid-Spaanse stad en had ik daar een schitterend panorama over de uitgestrekte Middellandse Zee.


Na meer dan een week dat ik hier al in Málaga vertoef heeft er nog steeds geen enkel wolkje aan de blauwe hemel gestaan. Dat is voor mij als echte Hollander toch wel bijzonder, want een totaal wolkeloze lucht komt in Nederland niet zo vaak voor en helemaal niet zo langdurig achter elkaar.

Het is me trouwens in Amsterdam opgevallen dat er in Nederland niet alleen maar sprake is van natuurlijk gevormde wolken, maar dat door het toenemende drukke vliegverkeer de kans op een strak blauwe lucht, zoals hier in Andalusië, zeer klein geworden is. Ik ga er maar vanuit dat de talrijke strepen die de vele vliegtuigen boven het Nederlandse luchtruim maken slechts uit onschuldige waterdamp bestaan maar ze ‘vervuilen’ wel het zicht op de kenmerkende authentieke Nederlandse (wolken)lucht.

Ik bedoel dan dat je door al deze contrails, zoals deze vliegtuigstrepen officieel genoemd worden, eigenlijk niet meer echt een typische weergave krijgt van de Hollandse luchten zoals we die herkennen op zeventiende eeuwse schilderijen van bijvoorbeeld Jacob van Ruysdael en Meindert Hobbema. 


Kort geleden moest ik nog aan deze beroemde ‘Hollandse luchten’ denken toen ik in Kassel was. Tijdens mijn reis zag ik in de Gemäldeglarie in Schloß Wilhelmhöhe in Kassel een aantal van die typische Hollandse zeventiende eeuwse landschappen. Daarnaast werd ik in Kassel meerdere malen herinnert aan de fameuze naoorlogse Duitse kunstenaar Joseph Beuys, die furore maakte op de verschillende edities van De Documenta in Kassel. Beuys maakte trouwens niet alleen opmerkelijke kunstwerken, hij had ook allerlei gedachtes over de reeds genoemde luchten en de lichtval in Nederland.
Beuys meende dat door de inpoldering van het IJsselmeer het typische Hollands licht compleet was veranderd. Weg was volgens hem tegenwoordig het immense spiegelende oppervlak. Volgens Beuys was het licht in Nederland in de glorieuze zeventiende eeuw anders en dat zou je op vele landschapschilderijen uit onze Gouden Eeuw goed kunnen zien. 


Het licht reflecteerde immers toen volledig via het immense oppervlakte van de Zuiderzee. Echter toen in de twintigste eeuw grote delen hiervan werden ingepolderd en het IJsselmeer over bleef was de specifieke kenmerkende ‘Hollandse licht’ volgens Beuys dus verdwenen. Deze theorie van Beuys gecombineerd met al die irritante strepen maakt het beeld van onze Nederlandse hemel inderdaad anders dan vroeger. En dit in ogenschouw genomen kan ik nog meer genieten van de prachtige landschapschilderijen uit de zeventiende eeuw, die trouwens qua schoonheid niet onder doen voor de strak blauwe lucht hier in Málaga.

 

Marcel Verhoeven, Europakenner

verhoeven@kunststad.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


Gedachtespinsels van de HospitalityScanner

Tijdens de vele momenten dat ik in hotels verblijf staan mijn gedachtes omtrent Hospitality natuurlijk nooit stil. Telkens vallen mij allerlei zaken op als ik bijvoorbeeld aan het werk ben in de lobby van het hotel of als ik in mijn hotelkamer vertoef. Geregeld vraag ik me dingen af waarom men iets op een bepaalde manier doet in een hotel of waarom men dat op die specifieke manier geconstrueerd heeft. Vaak denk ik ook na hoe in de Hospitality dingen beter zouden kunnen.

Deze week wil ik je een kort kijkje geven in mijn gedachtespinsels.

Wat staat daar nou?

“Ok, het kan zijn dat het nog vroeg in de ochtend is dat ik de tekst op het flesje niet kan lezen. Of heb ik toch al een leesbril nodig? Echter een leesbril onder de douche opzetten is een beetje vreemd. Wat staat hier nu met die hele kleine lettertjes op dit flesje geschreven? Dat het shampoo is, of body lotion of iets anders? Ik zou als fabrikant groot vermelden wat de inhoud van dit toiletartikel is, want ik ben vast niet de enige die er moeite mee heeft om dit label te lezen. Nou goed, ik waag het er maar op dat hier shampoo in zit en probeer mijn haar ermee te wassen.”


Een apparaat uit lang vervlogen tijden

“Wat is dit nu voor een groot ding dat hier in de kamer staat? Volgens mij is het een broekenpers. Ik ben wel een beetje verbaasd dat die dingen nog bestaan want dit object lijkt wel een museumstuk. Zal iemand daadwerkelijk wel eens zo’n broekenpers gebruiken? Volgens mij las ik laatst ergens dat de broekenpers ook nog best wel een gebruiksaanwijzing heeft want anders komt je broek er niet glad maar juist gekreukeld uit. De moderne hotelgast zit toch niet meer op zo’n apparaat te wachten? Het staat in de hotelkamer alleen maar in de weg.”


Een keramische schelp op mijn ontbijttafel

“Mijn huidige hotel ligt aan de kust dus het thema van de decoratie is de zee, dat snap ik. Maar wat is dit, dat hier op de ontbijttafel staat? Het heeft de vorm van een schelp en het is een soort vaasje. Is het misschien om een kaarsje in te doen? Of is het een klein prullenbakje? Dat laatste zou best wel handig zijn, want dat mis ik wel eens op de ontbijttafel. Zal ik er gewoon iets in gooien en kijken hoe het personeel hier op reageert?” 


Ieks! Pijn aan mijn oren!

“Ik snap werkelijk niet waarom zo’n mooi vijfsterrenhotel niet let op zo’n belangrijk detail als het vermijden van het irritante geluid van schuivende stoelen op de marmeren vloeren. Continue hoor ik zowel van mijzelf als die van stoelen in andere hotelkamers het geschuif van meubels. Wat een herrie! Dit euvel is toch vlot te verhelpen door onder de poten van de stoelen viltjes te monteren en weg is het vervelende lawaai!”


Help ik zit vast!

“Help, ik zit ‘vast’ in de lift, dit heb ik nog nooit meegemaakt. Ik krijg het er wel een beetje warm van. De technicus is onderweg zegt het inmiddels gealarmeerde hotelpersoneel. Rustig blijven Judith, niets aan de hand. Gelukkig forceerde net een hotelmedewerker de liftdeur dus ik krijg wat frisse lucht. Echter eruit kan ik nog niet want de lift bevindt zich tussen de tweede en derde verdieping. Het duurt toch gevoelsmatig lang voordat er wat gebeurt. Ik krijg wel wat flesjes water aangereikt en men stelt mij gerust. Oh, gelukkig, opeens komt de lift weer in beweging en sta ik op de juiste verdieping. Hopelijk is dit een eenmalig incident. Ik neem vanaf nu in dit hotel alleen nog maar de trap.”


Niet op de grond zitten

“Ik zit hier heerlijk te werken in de lobby, annex bar, van het hotel. Hmmm toch wel vreemd dat hier twee Engelse dames, trouwens geen meisjes meer, zomaar samen op de vloer gaan zitten om gezellig te praten. Het ziet er niet uit. En er zijn genoeg comfortabele  zithoekjes beschikbaar.

Wat goed zeg. De portier komt tegen ze zeggen dat ze op een stoel moeten plaats nemen en niet op de grond. Goed gedaan! Zo’n correctie hoort in een vijfsterrenhotel”    


Opeens was mijn lepeltje verdwenen

“Eerst even testen, dat heb ik inmiddels wel geleerd. Even het lepeltje naast het kopje houden om op te meten of het wel boven de rand van het kopje uitkomt. Ik vind het toch zo vies om met mijn vingers in mijn koffie naar dit theelepeltje te moeten graaien omdat het in het melkschuim verdwijnt. Goed dat ik ook deze keer weer even heb opgemeten of de lengte juist was want dit lepeltje blijkt uiteindelijk te kort.”


Rare jongens die Spanjaarden

“Rare jongens toch die Spanjaarden, althans als het gaat om slaapgewoontes. Ik vind het toch wel irritant dat de kussens op het hotelbed de vorm van een lange worst hebben. Dat slaapt toch van geen kanten. En waar ik me ook over verbaas is dat de kussensloop niet lang genoeg is voor het dit langwerpige hoofdkussen. Er bestaan toch wel kussenslopen die de juiste afmeting hebben van deze Spaanse kussenworst?“


 

Judith de Groot

Hospitalitykenner

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


‘Willkommen zurück Frau De Groot’

Al weer meer dan twee weken ben ik met genoegen op pad in het buitenland. Ik begon mijn reis dit keer met de trein van Amsterdam naar Düsseldorf, wat voor mij trouwens minder gebruikelijk is, want ik maak, zoals de trouwe lezer weet, vaker gebruik van het vliegtuig als ik op reis ben. In Düsseldorf verbleef ik in een viersterrenhotel in het centrum van de stad. Ik kende dit hotel al van mijn verblijf aldaar meer dan 10 jaar geleden toen het nog onderdeel van de Golden Tulip keten was, maar inmiddels was het overgenomen door een andere hotelfirma genaamd Leonardo Hotels.
Het eerste wat me opviel in de ruime lobby van het genoemde hotel was dat ik overal de beroemde  ‘Man van Vetruvius’ van Leonardo da Vinci zag. Het hotel wilde zich vanzelfsprekend vereenzelvigen met de vermaarde renaissance kunstenaar en had de bekende tekening tot hun logo verheven. 


Ook reproducties van andere bekende werken van Da Vinci zoals de ‘Mona Lisa’ en ‘Anna te drieën’ hingen in het hotel aan de muur. Op zich sprak al deze kunst me enorm aan, echter ik miste toch wat in het hotel, al kon ik er niet gelijk de vinger op leggen wat dat dan was. Mijn kamer was netjes, maar wel erg basic, zonder veel extra’s  zoals toiletartikelen en dergelijke. 

Daarbij kwam de zeep uit een dispenser, je weet wel zo’n hangfles waar je op moet drukken. Dat gold trouwens ook voor de shampoo, dat was een enorme navulfles die naast de kraan van de douche hing. Hier is niets mis mee, maar toch vind ik het altijd chiquer en luxueuzer als er een variatie van kleine flesjes shampoo, badschuim en dergelijke in mijn badkamer staat, zoiets geeft toch iets meer cachet. Dat gold trouwens voor meer zaken in de hotelkamer, zoals onder meer het beperkte aanbod in de minibar. Al het hoognodige was er, maar daar was alles mee gezegd.


Dit primaire aanbod gold eigenlijk ook een beetje voor mijn hotel in Kassel waar ik de dagen hierna verbleef en waar we met KUNSTSTAD een reis naar toe georganiseerd hadden. In de hoofdstad van Hessen was geen enkel vijfsterrenhotel te vinden en we hadden, zoals men van ons gewend is, onze uiterste best gedaan om echt het meest comfortabele hotel voor onze gasten te selecteren. Dat bleek uiteindelijk dit zeer centraal gelegen viersterrenhotel te zijn. Wij en onze deelnemers van de reis hebben het hier prima naar de zin gehad, dus dat wat betreft hadden we geen klagen.

Maar toch, toen ik zondagavond in een ander hotel in Düsseldorf aankwam, nadat ik trouwens eerst netjes alle gasten van de Kasseltrip had begeleid naar het eindpunt van de reis in Breukelen, viel mij direct iets op. Het hotel waar ik deze avond herenigd werd met Marcel en mijn dochters was het vijfsterrenhotel Intercontinental aan de chique Königsallee in Düsseldorf. Ik werd daar aan de voordeur begroet door de hotelportier in een mooi uniform en zijn warme welkomstwoorden gaven mij direct een goed gevoel. Nog bijzonderder was het feit dat men bij de receptie meteen zei ‘welkom mevrouw De Groot’, in het Duits natuurlijk. Ik dacht toen bij mijzelf hoe weten ze nu wie ik ben. Maar terwijl zij bezig waren om mijn kamersleutels te maken en andere formaliteiten af te ronden zag ik over de schouder van de receptioniste op het prikbord in hun kantoor twee foto’s van mijzelf hangen. Die herkende ik gelijk want dat waren foto’s van mijzelf die ik gebruikt had voor social media als Facebook en Linkedin. 


Deze foto’s staan zogezegd op internet en die zijn dus gewoon voor iedereen zichtbaar, dus ook voor de medewerkers van het Intercontinental Hotel. Ik vond het in eerste instantie erg komisch en kreeg een beetje het gevoel alsof ik ‘gezocht’ werd door de politie. Je weet wel, van die foto’s die dan in winkels hangen van winkeldieven of iets dergelijks. Maar ik vond het tegelijkertijd wel erg slim van het hotel dat zij als beleid hebben om gasten op die manier van te voren alvast te leren kennen en dus ook te herkennen.

Wat mij trouwens ook direct opviel, dat is typisch iets voor mij als HospitalityScanner, waren de bagagekarretjes waar de koffers van de talrijke gasten mee vervoerd werden. In de lobby stonden deze in de hoek opgesteld en dat stoorde absoluut niet. Deze karren had men namelijk mooi bekleed met luxueuze hoezen die je dicht kunt ritsen. Zo worden koffers en tassen netjes afgeschermd en daarbij ziet het er erg verzorgd uit. Ik heb een paar weken geleden, toen ik in Boedapest was, al eens geschreven over het chaotische uitzicht op allerlei koffers die in de hal stonden opgesteld van het mooie hotel waar we daar verbleven. Hier in het ‘Interconti’ in Düsseldorf vielen zogezegd de koffers helemaal niet op door de mooie ‘covers’ die over de bagagetrolleys zaten.
Ik merkte zogezegd opeens weer wat het verschil tussen een ‘net en verzorgd’ viersterrenhotel en een vijfsterrenhotel met ‘een beetje meer’ was. 


Op de kamer waren er allerlei extra’s variërend van flesjes water naast het bed, die gratis aangeboden werden, tot allerlei toiletartikelen in de badkamer zoals tandenborstels, scheergerei en andere zaken die je wellicht vergeten zou kunnen zijn. Ik hoorde opeens weer in mijn gedachte de zinsnede “Het zijn de kleine dingen die het doen” en die maken het verblijf in een hotel juist zo bijzonder.

Ondanks dat het bij de hotels waar ik mijn verhaal mee begon goed vertoeven was had ik nu toch bij het genoemde Intecontinental Hotel in Düsseldorf het gevoel dat ik echt in de watten werd gelegd. Het zat hem zogezegd in de ‘kleine dingen’, zoals dat ik telkens weer begroet werd met de woorden ‘Willkommen zurück Frau de Groot’ als ik terug in het hotel kwam en ook al wist ik dat het een ontvangst was dat men bij ander gasten ook op die manier deed, had ik toch het gevoel dat ik buitengewoon welkom was. Ik heb al eens eerder een blog geschreven over de ‘kleine dingen die het doen’ (klik hier voor mijn verhaal hierover), maar deze ervaring is een goede aanvulling hierop.

Soms hoor ik wel eens van mensen dat zij al die extraatjes niet nodig vinden maar vaak als men eenmaal zoiets meemaakt dan waardeert men dit toch wel heel erg en realiseert men zich dat dit het vakantie- en reisgevoel enorm verhoogt.

 

Judith de Groot

Hospitalitykenner

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


‘Ich weiß nicht was soll es bedeuten’

Kunst en cultuur spelen deze afgelopen dagen, net als verleden week trouwens, bij mij weer een hoofdrol. Ik bezocht namelijk verschillende musea in de Hessische stad Kassel, waaronder oude schilderkunst in het prachtige Schloß Wilhelmshöhe, gelegen aan de rand van het centrum van Kassel, waar zich een, bijna verborgen, topcollectie bevindt; een overdadige verscheidenheid aan werken van Rembrandt waaronder een schitterende portret van zijn vrouw Saskia, maar ook schitterende schilderijen van Frans Hals, waarbij zijn portret van schertsfiguur ‘Pekelhaering’ veel vragen oproept. Alleen al voor de Gemäldegalerie in Schloß Wilhelmshöhe zou je een keer naar Kassel moeten gaan.

Echter de hoofdreden dat ik mij in Kassel bevond was een belangrijke kunstmanifestatie die om de vijf jaar plaatsvindt genaamd ‘De Documenta’. 

Op talrijke plekken in de stad zijn 100 dagen lang deze zomer verschillende expositieruimtes ingericht die allemaal in het teken stonden van de hedendaagse Moderne Kunst. 


Alhoewel het best wel lastig voor mij was om alle conceptuele kunstwerken van deze versie van‘De Documenta’ op de juiste manier te interpreteren, genoot ik verleden week samen met de deelnemers van de KUNSTSTAD-reis met volle teugen van alles wat er tijdens deze bijzondere kunstmanifestatie geëxposeerd werd. 

En alsof alle kunst in Kassel nog niet genoeg was, hadden wij bedacht dat we op de vierde (tevens laatste) dag van de KUNSTSTAD-reis langs Düsseldorf zouden gaan en daar een uitgebreide ‘stop’ zouden maken. Ik vond het namelijk wel bijzonder om tijdens een reis naar Kassel waarin kunst zo’n grote hoofdrol speelt nog een aantal extra zaken te bezoeken, zoals twee musea in Düsseldorf,  en op deze manier onze kunsttrip nog meer compleet te maken.

Allereerst gingen we in Düsseldorf de indrukwekkende collectie van Museum K20 bekijken. In dit museumgebouw worden met name kunstwerken uit de eerste helft van de twintigste eeuw tentoongesteld. Zo hangen hier kubistische schilderijen van Pablo Picasso en zijn collega George Bracque, expressionistische schilderijen van Franz Marc en Kandinsky. Eén van de topwerken is onder meer ‘De Nachtmerrie’ van Max Beckmann en je vind hier enkele opvallende doeken van onze eigen Piet Mondriaan.
We eindigden de middag in ‘Het Ständehaus’ dat tegenwoordig onder de naam Museum K21 de hedendaagse kunst van de Sammlung Nordrhein-Westfalen toont. Het meest onder de indruk waren ik en mijn mede reisgenoten van een enorm ‘ervaringskunstwerk’ van de Argentijnse kunstenaar Tomas Saraceno. Hij had gigantische netten gespannen onder de glazen koepel van het indrukwekkende atrium van het imposante museumgebouw. 

Het grote kunstwerk, dat iets weg had van een uit de kluiten gewassen spinnenweb, was op zich al een bezienswaardigheid, maar het was nog opzienbarender om te zien dat er een aantal moedige museumbezoekers over deze netten heen liep. Dit was echt iets voor waaghalzen want je balanceert zo’n 25 à 30 meter in de lucht en waant je bijna letterlijk als een soort spin in een web.


Toen de enthousiaste KUNSTSTAD-reisgroep zondagmiddag uit Düsselsdorf vertrok en begeleid door Judith naar Breukelen afreisde, bleef ik hier nog even. Ik wandelde met mijn dochters hierna nog wat door de binnenstad van deze mooie stad aan de Rijn en kwam op een gegeven moment in een parkje een enorm bronzen standbeeld tegen. Het was een groot ‘dodenmasker’ van Heinrich Heine, dat zogenaamd in ‘stukken gehakt’ bleek te zijn. Ik weet dat Heine een beroemde schrijver is die in 1797 geboren was in Düsseldorf en dat hij daarom op allerlei manieren geëerd wordt in zijn geboorte stad. Bij het zien van de genoemde sculptuur schoot mijn een deel van een gedicht van Heine te binnen dat ik ooit nog eens geleerd had tijdens mijn middelbare schooltijd; “Ich weiß nicht, was soll es bedeuten, Daß ich so traurig bin, Ein Märchen aus uralten Zeiten, Das kommt mir nicht aus dem Sinn.” Dit beroemde gedicht was zelfs ooit tot een liedje met de naam ‘Die Lorelei’ verheven en het wijsje hiervan bleef vervolgens de rest van de middag in mijn hoofd hangen. De dichter Heinrich Heine kreeg tevens nog eens uitgebreid aandacht op de verdieping van het hotel waar ik in Düsseldorf verbleef, want bij de uitgang van de liften hingen schilderijen met zijn beeltenis erop. Ook op mijn Düsseldorfse hotelkamer keken portretten van Heine mij aan en ik was weer totaal in ‘the mood’ voor de negentiende eeuwse Duitse literatuur.


Terwijl ik mijn bovenstaande verhaal afrond kijk ik inmiddels al weer uit over de Moorse vestiging in Málaga en denk terug aan de roerige en bijzondere (kunst)geschiedenis van Duitsland en verheug me al weer op mijn volgende bezoek aan dit land, want we gaan namelijk eind augustus naar München.

 

Marcel Verhoeven, Europakenner

verhoeven@kunststad.nl


Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


Kassel is een reis waard!

Deze afgelopen week stond voor mij helemaal in het teken van de kunst! Ik reisde afgelopen donderdag vol enthousiasme naar de typische Duitse kunststad Düsseldorf. Wat hebben ze hier toch een prachtige kunstmusea! Twee hiervan bezocht ik afgelopen weekend, namelijk K21, met de klassiek moderne collectie van de ‘Sammlung Nordrhein Westfalen’ en daarnaast was ik ook twee keer in ‘K20’, dat de dependance van het eerder genoemde museum is, waar met name de hedendaagse kunst wordt getoond.

Mijn dochters en ik genoten met volle teugen in het Düsseldorfse K20 museum van de vele originele werken van Picasso, maar ook van Wassily Kandinsky, Franz Mark, Ernst Ludwig Kirchner en niet te vergeten een aantal werken van onze eigen Piet Mondriaan. Wat verheug ik mij erop dat ik aankomende zondag tijdens mijn vierdaagse KUNSTSTAD reis naar Kassel en Düsseldorf hier de groep mag rondleiden.


Nu ben ik inmiddels al weer een aantal dagen in Kassel. Deze hoofdstad van de deelstaat Hessen organiseert zoals je wellicht weet om de vijf jaar de beroemde kunstmanifestatie ‘De Documenta’. Het is elke keer weer interessant om te zien welke artiesten op ‘De Documenta’ vertegenwoordigd zijn en welke werken zij mochten inbrengen. Ik moet echter wel nog altijd, ook na mijn zoveelste bezoek, wennen aan alle conceptuele kunstwerken die op deze tentoonstelling getoond worden. Meestal gaat het bij kunst kijken voor mij om de esthetiek en de schoonheid van het kunstwerk, maar daarvoor moet je niet naar ‘De Documenta’ komen. Vooral tijdens deze editie huidige speelt politiek een belangrijke hoofdrol en veel minder de artisticiteit. Toch is het echt een feest om hier te zijn. Ook al spreken misschien sommige hedendaagse kunstwerken je wat minder aan, de ambiance van het hele evenement en van deze Duitse provinciestad is heel bijzonder.


Ik zag onder meer een kunstzinnige video-tweeluik in het Fridericianum. Hier is te zien hoe Turkse soldaten worden toegesproken om hun hele ziel en zaligheid te geven voor de Turkse natie en dit roept bij de toeschouwers een vervreemdend effect op. Dat geldt trouwens ook voor de bijna geweide ruimte in de nabij gelegen Orangerie in het prachtige centraal gelegen Karlsaue-park , waar op een groot scherm een video wordt getoond van Russisch orthodoxe priesters die een kerkelijke mis zingen. 

Echter het deed me ook wel weer heel veel genoegen om aan de andere kant van de stad, in het beroemde stadslot Wilhelmshöhe te zijn om daar na alle contemporaine kunst de enorme zeventiende eeuwse collectie met Hollandse meesters te zien, waarvan met name de werken van Rembrandt uitzonderlijk zijn. Nergens ter wereld vind je zoveel schilderijen van onze topmeester uit de Gouden Eeuw. Alleen daarom zou je al een keer naar Kassel moeten. 


En ben je bekomen van al deze bijzondere creaties van onze meester uit de Gouden Eeuw dan kun je hier genieten van de vele andere befaamde kunstenaars die hier vertegenwoordigd zijn, zoals Dirck van Baburen, Hendrick Ter Brugghen en andere grondleggers van de barokke schilderkunst. Dankzij hen begrijp je in dit Kassels museum nog beter de schilderijen van bijvoorbeeld Frans Hals, die namelijk onder meer deze voorgangers als inspiratiebron had. Van deze beroemde Haarlemse schilder zijn in dit museum meerdere schilderijen te bewonderen en het meest tot mijn verbeelding spreekt altijd ‘Peekelhaeringh’. Dit is een afbeelding van een schertsfiguur die waarschijnlijk een belangrijke rol vertolkte in de zeventiende eeuwse kluchten en blijspelen. Hij was een soort Hans Worst, waarover het rijmpje ging ‘Hans Worst heeft altijd dorst’. Dit gold eigenlijk tevens voor Peekelhaeringh vandaar dat hij ook met een bierpul in zijn hand staat. Dit schilderij uit de Gemäldegalerie in Kassel sprak andere kunstenaars ook zo aan dat Jan Steen dit genoemde werk het zelfs gebruikte in een schilderij van hem zelf. En dat is tegenwoordig te zien in de Gemäldegalerie in Berlijn. 

Tijdens mijn bijzondere verjaardagsreis, die ik speciaal voor genodigden organiseer, zal ik hier graag ter plekke meer over vertellen.

Je merkt al dat ik over Kassel niet uitgepraat raak en ik kom er graag volgende week op terug.


 

Marcel Verhoeven, Europakenner

verhoeven@kunststad.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


Kijk eens tussen de lakens!

Til het hoeslaken in een hotel eens op en kijk wat je eronder aantreft.
Til het hoeslaken in een hotel eens op en kijk wat je eronder aantreft.

Ben je tijdens je verblijf in een hotel ’s nachts ook wel eens helemaal oververhit wakker geworden? Je controleert nog eens de verwarming, maar die staat uit. Het raam heb je zelfs open gezet en het is koel genoeg in de kamer. Het is dan vreemd dat je het toch zo warm hebt. Als dit scenario je bekend voor komt dan heb ik een goede tip voor je; til het hoeslaken van het matras eens op en neem daaronder een kijkje hoe het matras vervolgens verder is opgemaakt.

Ik schreef al eens over een item dat met het bed te maken heeft, namelijk over het hoofdkussen. Een goed kussen is noodzakelijk om de slaap goed te kunnen vatten en een goede nachtrust is in een hotel van importantie en één van de belangrijke zaken waar je als hotelgast naar op zoek bent. Of je nu om zakelijke redenen de stad moet bezoeken of dat je de locatie als toerist gaat bekijken, je wilt ’s ochtends uitgerust opstaan.

Een fijn kussen, een comfortabel matras en lekker beddengoed spelen hierbij een belangrijk rol. Op het bedlinnen kom ik een andere keer in mijn verhalen nog wel eens terug, want dit keer wil ik wat langer stil staan bij het matras. 

Het eerdergenoemde voorval, dat ik overmand werd door warmte in een hotelbed, vindt namelijk zeer regelmatig plaats. Het is zogezegd veel te warm in bed en het ligt niet aan de temperatuur van de kamer. De boosdoener is namelijk een plastic hoes die door kamermeisjes van het hotel als extra bescherming over het matras getrokken is.

De reden dat men die plastic hoes tussen het laken en matras legt is mij volkomen duidelijk. Het beschermt het matras tegen vuil en viezigheid van de talloze gasten die continue het hotelbed beslapen, maar comfortabel ligt het niet. Het laatste voorval dat ik in dit geval meemaakte was dat zelfs het hoofdkussen geheel verpakt was. Getver, dat sliep wel heel naar!

Het met ‘plastic ingepakte’ matras (en kussen) zou dus voor een stukje extra hygiëne moeten zorgen. Zo las ik laatst trouwens dat zo’n ingepakt matras nog allerlei andere voordelen heeft. De plastic onderhoes houdt niet alleen viezigheid van de individuele hotelgasten tegen, maar bijvoorbeeld bedwantsen kunnen zich op deze manier ook niet in het matras huisvesten. Deze insecten leven in beddengoed en zijn kleine gemene beestjes die je ’s nachts onopgemerkt kunnen bijten om zich te voeden aan het bloed van de hotelgast. Ik heb het zelf nog nooit meegemaakt gelukkig, maar je blijkt behoorlijk vervelende jeukplekken van die bedwantsen te kunnen krijgen. Eerst kwamen deze kleine bedbeestjes alleen voor in Australië en Zuidoost-Azië, maar tegenwoordig schijnen de kleine bedgenoten ook steeds vaker in Europa in de matrassen te zitten.

Om terug te komen op de plastic matrashoes, deze ben ik al in allerlei soorten en maten tegen gekomen. Van een klein los plastic lakentje dat onder het linnen hoeslaken ligt, tot een bescherming met dezelfde afmetingen als het matras en dat in de hoeken van het matras met een elastiek over de matraspunten is vastgemaakt. En ik zie soms zelfs hoezen die om het hele matras heen zitten dicht geritst en van het matras een volledig plastic geheel maken.

Het grote nadeel aan plastic om je matras is dus dat het niet ventileert en je het als slaper zo warm krijgt met transpiratie als gevolg. Het eerste wat ik dus als frequente hotelbezoeker doe voordat ik naar bed ga is naar het matras kijken. Als ik iets tegenkom dat op plastic lijkt dan verwijder ik het gelijk en berg ik het netjes op in de kast.


Het valt me overigens op dat de kamermeisjes (en –jongens) het matrasafdekplastic ook gewoon in de kast laten liggen als ik meerder nachten in die kamer verblijf. Zij maken ’s ochtend het bed ongestoord zonder plastic op terwijl ik zou verwachten dat ze dit irritante zeiltje er toch weer om zouden doen, maar gelukkig dus niet.

Het inpakken met plastic van het gehele matras gebeurde me trouwens eens in een heel fijn vijfsterren hotel in Aken. Ik kwam daar al jaren en de sfeer van het hotel beviel me erg goed. Tot dat ik ontdekte dat ik op plastic lag te slapen. Ik moest het hele bed op zijn kop zetten om de hoes te kunnen losritsen en te verwijderen, maar dat had ik er graag voor over. Toen het matras eenmaal uit de hoes tevoorschijn kwam schrok ik me echter een hoedje. Het hele matras had, doordat het altijd broeierig ingepakt was geweest, zwarte schimmelvlekken gekregen en zag er hierdoor ontzettend vies uit. 


De regel dat dit plastic het matras beschermt ging hier dus niet echt op. Ja, een geheel ingepakt matras kan niet ademen, gaat zelfs condenseren en dat leverde in dit geval dus die nare vochtschimmel op.

Er moeten toch heden ten dage andere oplossingen te vinden zijn om als hotel je matras te beschermen. Een voorbeeld daarvan is een dun dekmatrasje, dat bovenop het matras komt te liggen. Deze oplegger kan gewassen worden en als je dat regelmatig doet is er geen probleem lijkt mij.

Mocht je de volgende keer je intrek nemen in een hotel inspecteer dan voor het slapen gaan je matras eens. Mocht je dan plastic tegen komen en te warme nachten ook vervelend vinden haal het er dan vanaf. Je zult merken dat het een hoop in temperatuur en comfort scheelt.

 

Judith de Groot

Hospitalitykenner

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


Op een mooie Pinksterdag, met de kleine meid

Verleden week zondag was het voor Alizia een bijzondere dag en dus ook voor mij. We hadden haar namelijk een fiets cadeau gegeven en die moest natuurlijk direct getest worden. Terwijl ik haar driftig de goede kant op duwde schoot op deze mooie eerste Pinksterdag voortdurend het gelijknamige liedje in mijn gedachten. Dit chanson van de beroemde schrijfster Annie M.G. Smit en componist Harry Bannink gaat zoals wellicht bekend over een mijmerende vader en zijn kleine dochter waarmee hij hand in hand loopt door het park op een mooie Pinksterdag, terwijl ik op deze zelfde fraaie dag mijn eigen kleine meid fietsen leer. Al neuriënd en zelfs hardop zingend “Hondje bijt niet…” denk ik aan de twee zangers die dit lied ooit vertolkten, namelijk Leen Jongewaard en André van den Heuvel (zie hieronder voor een filmpje met de authentieke vertolking van dit lied).


Als ik de jonge Andre van den Heuvel op dit Youtube filmpje zie zingen dwalen mijn gedachtes af. Hoe leuk was het namelijk dat ik hem, samen met zijn vrouw Kitty Jansen, ooit als deelnemer aan een van mijn reizen naar Berlijn mee had. Toen ik jaren geleden hem als passagier in mijn bus zag zitten, om met een hele groep naar de hoofdstad van Duitsland af te reizen, schoten bij het zien van zijn gezicht meteen een aantal strofes van het reeds genoemd lied in mijn hoofd; “Morgen kan ze zwanger zijn. Het kan ook nog wel vandaag…” .  En nu, al duwend achter het kinderfietsje, dacht ik aan wie ooit de vader van mijn kleinkinderen zou kunnen zijn; “'t Kan van de behanger zijn of van een Franse zanger zijn of iemand uit Den Haag”.

Tijdens mijn betreffende Berlijnreis merkte ik dat de aanwezigheid van deze twee bekende Nederlanders toch voor de andere deelnemers ook voor wat hilariteit en een extra dimensie zorgde. 


Heel verrassend om mensen in de groep te hebben die toen nieuw waren en toch zo vertrouwd vanwege hun bekendheid. Als organisator van deze reis heb ik op een aantal momenten tijdens deze trip verschillende malen met hen gesproken. Zo vertelde Kitty Janssen mij, op het moment dat wij naar het Russisch Monument in het Treptow Park liepen, dat zij ooit in haar jonge jaren een bekende persoonlijkheid in Duitsland was; zij vertolkte namelijk in de jaren zestig Frau Antje op Duitse televisie ter promotie van onze Hollandse kaas. Van André van den Heuvel begreep ik dat hij met mijn kunstreis meeging omdat hij zich na zijn pensionering fanatiek met beeldhouwen was gaan bezig houden. Hoe treurig was het bericht dan ook dat ik een jaar geleden las dat hij was overleden. Hij was toen al vier jaar weduwnaar omdat zijn partner Kitty Janssen in 2012 al het tijdelijke voor het eeuwige had verruild.


Opeens maakt mijn dochter een gevaarlijk bocht en moet ik even alle zeilen bijzetten om haar recht op haar fiets te houden. Op dat moment herinner ik mij het moment dat ik zelf fietsen leerde. Weliswaar ook de eerste keren met behulp van kleine zijwieltjes, maar in mijn herinnering gingen die er vrij snel weer van af. Goh, wat gaat de tijd toch snel. Voordat je het weet, misschien ben ik nu wat melancholisch, duwt mijn dochter haar kind weer door het park en zijn we weer decennia verder in de tijd en zingt zij dan ook “Op een mooie Pinksterdag, met de kleine meid”.

Marcel Verhoeven, Europakenner

verhoeven@kunststad.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


0 Berichten

Als je verzekerd bent , dan loop je geen risico!

De laatste tijd heb ik met trouwe deelnemers van de reizen van KUNSTSTAD wel eens gesprekjes over het feit dat men zich niet durft in te schrijven voor één van onze reizen. Waarom niet? Zijn onze kunstreizen dan zo gevaarlijk? Nee, het komt omdat men soms onzeker is over hoe het zal gaan met de gezondheid wanneer de betreffende reis gaat plaats vinden. Als je een dagje ouder wordt word je natuurlijk steeds vaker met gezondheidsperikelen geconfronteerd en dan kan het zijn dat je twijfelt over hoe het over een paar maanden met je zal gaan. Ik probeer dan altijd diegene er van te overtuigen dat als je een goede reis en/of annuleringsverzekering hebt je financieel in ieder geval geen risico loopt, mocht je uiteindelijk niet aan de reis kunnen deelnemen. Het zou anders natuurlijk betekenen dat je nooit meer iets vooruit zou kunnen plannen en reserveren en het vooruitkijken en je verheugen op iets is toch het aller leukste wat er is?


Het hoeft natuurlijk niet altijd met de eigen gezondheid te maken hebben, maar er kan ook iets aan de hand zijn met het thuisfront. En andere gekke en ongewilde situaties kunnen op je pad komen waardoor je eerder tijdens een reis naar huis moet keren of waardoor je soms zelfs helemaal niet met ons kunt afreizen. Ook dan blijkt de reis- en annuleringsverzekering hier voor garant te staan.

Zo heb ik zelf ook al eens, gelukkig nog niet heel vaak, gebruik moeten maken van de service van mijn verzekeringsmaatschappij omdat een bovengenoemde situatie optrad. De laatste keer dat ik een beroep op mijn reisverzekering moest doen, is nog niet eens zo heel lang geleden. In mijn eentje was ik op de trein gestapt naar Kassel, om een aantal zaken voor te bereiden voor onze KUNSTSTAD reis naar deze stad in Hessen. Ik moest onder andere wat dingen regelen voor het kunstevenement ‘De Documenta’


Marcel en de mijn dochters bleven nog even wat langer in Amsterdam en twee dagen later zou ik vanaf Kassel doorreizen naar Málaga. Marcel zou met de kinderen dit zelfde doen vanaf Amsterdam en wij zouden elkaar in Zuid-Spanje weer treffen.
Echter, slechts enkele uren nadat ik met de trein naar Kassel vertrokken was, werd onze jongste dochter Chloé ziek. Het bleek een flinke buikgriep waar ze totaal ondersteboven van was. Marcel zag het op dat moment natuurlijk helemaal niet zitten om als vader alleen met twee dochter, waarvan één behoorlijk ziek, naar Andalusië af te reizen. Daarnaast wilde ik  toen ik dit vervelende bericht van hem kreeg ook zo snel mogelijk bij mijn zieke meisje zijn. Diezelfde avond ben ik dus gelijk al weer met de trein vanuit Kassel terug naar Amsterdam gegaan en mijn geboekte vliegticket van Duitsland naar Spanje van twee dagen later heb ik niet gebruikt. Het was heerlijk om weer in Amsterdam te komen en voor Chloé te kunnen zorgen en toen ze weer beter was reisden we uiteindelijk gezamenlijk af naar Málaga.

Toen ik deze situatie aan mijn verzekeringsmaatschappij voorlegde boden zij direct aan om mijn niet gebruikte vliegticket, alsmede het extra treinticket dat ik gekocht had om terug naar huis te gaan, volledig te vergoeden. En zo geschiede, enkele dagen later stond het volle bedrag op mijn rekening. Wat is het toch een verademing om zo’n verzekering te hebben.

 

Nog een ander voorbeeld van het voordeel van een reisverzekering. Ik kan me nog een voorval van enkele jaren geleden herinneren toen we ter voorbereiding van een KUNSTSTAD-reis in Lissabon verbleven. Zoals je wellicht weet is Marcel een liefhebber van hardlopen en waar hij kan trekt hij zijn hardloopschoenen aan om een rondje te rennen. Helaas kwam hij tijdens zijn hardlooproute door Lissabon ongelukkig ten val waardoor zijn knie behoorlijk open lag. De ‘jaap’ in zijn been was zo groot dat we er mee naar het ziekenhuis moesten.


"slechts enkele uren nadat ik met de trein naar Kassel vertrokken was, werd onze jongste dochter Chloé ziek. Diezelfde avond heb ik weer de trein terug naar Nederland genomen"     



Marcel kreeg uiteindelijk vele hechtingen in zijn knie en dat zorgde ervoor dat hij die daardoor tijdelijk niet meer kon buigen. Door deze hele situatie konden we de dag hierna, zoals eigenlijk gepland was, niet meer naar huis vliegen. In dit genoemde geval namen we natuurlijk gelijk contact op met onze reisverzekering en die waren direct uiterst begripvol. Nadat we uitgelegd hadden wat er aan de hand was gingen ze voor ons aan de slag en ze zouden contact met ons opnemen wanneer ze een geschikte terugvlucht voor ons hadden gevonden waarmee Marcel met gestrekt been en met krukken terug zou kunnen vliegen. In de tussentijd konden wij, betaald door de reisverzekering, langer in het hotel in Lissabon blijven.

Er bleek echter dat tot dagen daarna geen plek voor ons aan boord van een toestel richting Nederland te zijn. Daardoor hebben we al met al drie extra dagen in Lissabon doorgebracht, wat ondanks Marcel tijdelijke handicap, voor ons geen straf was. Heel erg mobiel waren we natuurlijk niet, maar Marcel kon toch aardig uit de voeten met de krukken die we geregeld hadden moet ik zeggen. Drie dagen later werden we opgehaald door een grote taxi bij ons hotel in Lissabon, die de verzekering voor ons geregeld had, en werden we naar de luchthaven gebracht. Een bijzondere draai  aan het hele verhaal was nog dat, omdat Marcel zijn knie niet kon buigen, men aan boord vier zitplaatsen voor ons tweeën had geregeld, waarbij de stoel die voor Marcel stond weg werd geklapt. Zo kon hij redelijk comfortabel met zijn gestrekte been plaats nemen. Eenmaal in Amsterdam aangekomen werden we zelfs van Schiphol met een aangepast taxibus afgehaald en naar huis gebracht. 


Achteraf bleek dat zowel de medische kosten, de terugvlucht, als de extra nachten die wij noodgedwongen in Lissabon moesten verblijven en het vervoer naar- en van de luchthaven allemaal werden vergoed. Het is natuurlijk erg vervelend als je ‘in den vreemden’ iets overkomt en hoe fijn is het dan dat je door een Nederlands contactpersoon van de verzekeringsmaatschappij begeleid wordt en je ook geen zorgen hoeft te maken om medische assistentie, reis en verblijf.

Uiteraard betalen we hier al jaren lang premie voor, maar ik merkte toch bij mezelf dat ik het in eerste instantie vervelend vond om beroep te moeten doen op de verzekering. Ik wilde ze niet lastig vallen en twijfelde of men wel bereid was om iets te vergoeden.

Deze schroom merk ik trouwens dus ook wel eens bij onze reisdeelnemers. Zij geven soms aan dat ze echt heel erg graag mee op reis willen naar een bepaalde bestemming, maar dat ze zogezegd dus nog niet durven te boeken. Er kan namelijk nog zoveel gebeuren in de tussentijd is hun argument. En wat als die kleine operatie die ze moeten ondergaan uiteindelijk in die periode plaats zal gaan vinden? Het gaat niet zo goed met een familielid, hoe moet het nou als die situatie verandert? Ook dan komt vaak die aarzeling weer om de hoek kijken. Kan en mag ik dan wel aanspraak maken op de reis- en annuleringsverzekering? Ja, dat mag. Anders zou je nooit meer plannen kunnen maken voor de (nabije) toekomst. Wij hebben dus zowel privé als met onze klanten hele goede ervaringen met de reisverzekeringsmaatschappijen en lopen nooit tegen problemen aan.

 


Ik had er laatst nog een uitgebreid gesprek over met een trouwe reiziger en zij had recentelijk uit voorzorg eens geïnformeerd of zij wel een reis kon boeken vanwege een onzekere medische situatie. ‘Ja hoor, geen probleem’ was het antwoord aan de andere kant van de lijn. En met een gerust hart belde ze mij op om zich aan te melden voor een fijne reis met ons waar ze zich op kon verheugen en naar uit kon kijken. Uiteindelijk heeft ze trouwens gelukkig niet hoeven annuleren en kon ze laatst genieten van een zorgeloze en gezellige trip.

 

 

Judith de Groot, HospitalityScanner
info@HospitalityScanner.com    

Het Rijk(s) voor je alleen

Dit weekend las ik in de krant dat één van de iconen van het Rijksmuseum, namelijk ‘Het Melkmeisje’ van Johannes Vermeer, weer terug is op haar plek in de eregalerij aldaar. Regelmatig, ga ik met mijn dochters naar het Rijks toe, als ik na een periode van reizen weer in Amsterdam ben. Mijn meiden hebben altijd een vast repertoire dat ze in onze nationale kunstgalerij willen afwerken: natuurlijk willen ze eerst naar ‘De Nachtwacht’ ofwel ‘Het meisje met de kip’ zoals Alizia het eerst altijd noemde (lees hier een eerder verhaal van mij hierover). Van dit formidabele schilderij van Rembrandt kunnen zij door hun geringe lengte en de enorme meute toeristen die er voor staat meestal slechts maar een kleine glimp opvagen. Daarna komen ‘Het Joodse Bruidje’, ‘De Staalmeesters’, het zelfportret van de ‘oude Rembrandt’ en ‘Titus als monnik’ aan bod. En vervolgens roepen zij om ‘Het Melkmeisje’ van Johannes Vermeer. 


Groot was de teleurstelling een aantal maanden geleden dan ook toen dit schilderij plotseling was verdwenen. Ik kwam er al snel achter dat het beroemde meesterwerk was uitgeleend aan het Louvre in Parijs voor een overzichtstentoonstelling van onze Delftse Meester. Ach, ik dacht toen ‘er is nog genoeg te zien in het Rijksmuseum’. Maar toch mistte ik haar direct wel al een beetje. De vreugde was dan ook groot toen ik afgelopen maandag dit pronkstuk uit de collectie van het Rijks weer samen met mijn dochters kon bewonderen.

Zoals altijd stonden er ook nu weer tal van buitenlandse toeristen met hun telefoons het werk te fotograferen en ik moest zelfs een beetje brutaal vragen of ze aan de kant gingen zodat Chloé en Alizia ook een blik op het werk konden werpen, wat uiteindelijk met wat moeite ook lukte. Samen praten we dan over het schilderij. Het gaat er wat mij betreft niet alleen om kort met hen het ‘plaatje’ te bekijken, maar ik probeer mijn meiden ook te tonen wat er daadwerkelijk op te zien is. 


In eerste instantie zie je een keukenmeid die melk inschenkt in een bakje en als ik dat vertel dan krijg ik meteen de vraag van Chloé en Alizia ‘waarom doet ze dat papa?’.

Er ligt al een broodje naast, dus de melk wordt niet gebruikt om brooddeeg te maken. Zal de meid de melk in de schaal schenken om te drinken, of om het brood in de dopen? Het is dag op het schilderij, vertel ik hen dan, want de zon schijnt aan de linkerkant door het raam naar binnen. En het zonlicht werpt een schaduw over allerlei voorwerpen die op het schilderij te zien zijn. 

Johannes Vermeer was echt een zeer kundig kunstenaar die met details rekening hield, want ook het spijkertje op de muur geeft zijn schaduw af. Ja, dat laatste is vakwerk en dan ben je een ware meester in de zeventiende eeuw. 

Terwijl ik dit allemaal aan mijn dochters vertel wordt hun blik al weer versperd door de vele buitenlandse bezoekers die opgewonden in allerlei talen rond het meesterstuk staan te schreeuwen.

Inmiddels heeft de intercom in het Nederlands en Engels omgeroepen dat het museum over een kwartier gaat sluiten. 

En nu weet ik dat er dan een heel speciaal moment aantreedt. Iedereen snelt dan naar de uitgang en dan lopen wij juist gedrieën wederom terug richting ‘De Nachtwacht’. En inderdaad, vijf minuten voor vijf is het zover, wij staan ‘alleen’ voor dit sublieme kunstwerk. Eerst zijn we met z’n drieen nog wat hilarisch en druk omdat we het topwerk nu voor ons zelf hebben. Echter daarna treedt er een rust in en zijn we tevreden dat even rustig kunnen kijken. Alizia en Chloé zoeken nog even naar de plek waar Rembrant, weliswaar verscholen, op de Nachtwacht staat. Gevonden!!! Enkele minuten later wandelen we voldaan naar de lift en uren daarna hebben we het er nog over.

Als een echte kenner raad ik je dus aan, helemaal als je een museumkaart hebt, om eens pas om half vijf naar het Rijksmuseum te gaan om in de laatste 10 minuten een paar meesterwerken te gaan bekijken. Een genot voor een echte kunstliefhebber. 


Marcel Verhoeven, Europakenner

verhoeven@kunststad.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


Even in gesprek...

Kleine groepjes deelnemers aan een bedrijfstraining voeren opdrachten uit en evalueren de kennis die zij opgedaan hebben.
Kleine groepjes deelnemers aan een bedrijfstraining voeren opdrachten uit en evalueren de kennis die zij opgedaan hebben.

Zojuist heb ik me lekker met een kopje koffie genesteld in een geriefelijke stoel in een hotellobby in Amsterdam om mijn wekelijkse Hospitality-verhaal te schrijven. Kort nadat ik me hier geïnstalleerd had, zag ik allemaal netgeklede heren en dames de ruimte binnenkomen. Zij vormden kleine groepjes van een man of vier à vijf en gingen her en der aan tafeltjes in de bar/restaurant zitten. Ze hadden allemaal een schrijfblok bij zich en begonnen vervolgens druk met elkaar te praten.
Ik heb zoiets al veel vaker meegemaakt en herkende dus ook wat deze mensen aan het doen zijn. Het moet onmiskenbaar een onderdeel van een zogenaamde bedrijfstraining zijn waarbij men in de loop van de dag, nadat men eerst allerlei toespraken heeft aan moeten horen in één van de hotelzalen, daarna een aantal opdrachten ter ontplooiing van de leerstof met elkaar moet uitvoeren en waarbij men zodoende gezamenlijk evalueert wat er die ochtend besproken is.
Hotels worden om het mooi te zeggen zowel voor business als voor leisure gebruikt. Dat betekent dat er in hotels niet alleen gasten zijn die er voor hun plezier en/of vakantie zijn, maar dat er ook zakelijke gasten in het hotel verblijven die overdag in het hotelgebouw meetings en bijeenkomsten bijwonen. Grote kwaliteitshotels beschikken daarom ook over meerdere grote zalen die gebruikt worden voor dit soort zakelijke events.

Ik vind het trouwens niet erg als kleine groepjes mensen gewapend met pen en papier een overlegsessies houden in de lobby, bar of andere publiektoegankelijke ruimtes van het hotel. Natuurlijk moeten ze niet te luidruchtig overleggen, maar dat lijkt me evident. Dat een zakelijk evenement niet altijd vanzelfsprekend geruisloos is heb ik trouwens ook wel eens meegemaakt en dan heb ik het eigenlijk meer over de feestelijke afsluiting van zulke trainingsdagen. Het zakelijke feestje waar ik hierbij op doel was vergelijkbaar met een luidruchtige trouwfestijn waar ik ook als hotelgast tegen wil en dank ooit van mocht meegenieten. 

Hotelmanagement dat een sollicitatiegesprek voert in de hotelbar vind ik storend. Is hier geen ruimte achter de schermen voor?
Hotelmanagement dat een sollicitatiegesprek voert in de hotelbar vind ik storend. Is hier geen ruimte achter de schermen voor?

Echter over dit soort (geluids)overlast kom ik wel eens een andere keer terug in één van mijn HospitalityScanner-verhalen.
Ik wil nu graag nog even verder stil staan bij de zakelijke bijeenkomsten die dus gedeeltelijk plaatsvinden in de hotelbars, lobby’s of restaurants van hotels. Sommige hotels zijn echt bekend als afspreekplek voor zakenlieden. Dit zijn vaak hotels langs snelwegen met grote parkeerterreinen die goed bereikbaar zijn en dus bijna vanzelfsprekend een goed zakelijk afspreekadres zijn.

Eén van de dingen die mij echter verbazen als het gaat om dit soort kleine bedrijfsbijeenkomsten of zakelijke ontmoetingen in de bars of restaurants van hotels is dat iedereen die in de nabijheid hiervan zit vaak gewoon mee kan luisteren wat er gezegd wordt. En er kunnen natuurlijk onderwerpen besproken worden die niet echt voor andermans oren bedoeld zijn, soms kunnen er dingen gezegd worden die heel vertrouwelijk zijn. Ik heb bijvoorbeeld sollicitatiegesprekken of functioneringsgesprekken onbedoeld mogen meebeleven die aan een naastgelegen tafeltje in de hotelbar/restaurants plaatsvonden. Ik vond het behoorlijk gênant en zelfs een beetje ‘pijnlijk’ om tegen wil en dank deelgenoot te moeten zijn van een gesprek waarbij een kandidaat voor een nieuwe baan aan de tand gevoeld werd.

Een sollicitatiegesprek dat plaatsvindt in de bar van een hotel.
Een sollicitatiegesprek dat plaatsvindt in de bar van een hotel.

Wat mij enorm verbaast is dat in een aantal hotels waar ik in Amsterdam graag in de bar vertoef zelfs door het management van de betreffende hotels ook zakelijke besprekingen in de openbare ruimtes worden gehouden. Zij moeten toch wel op de hoogte zijn van het feit dat hun hotelgasten mee kunnen luisteren wat zij bespreken. Zo hoorde ik een keer een salarisonderhandeling plaatsvinden van een nieuwe sales-manager van het betreffende hotel met zijn leidinggevende. En toen hij zei dat het aanbod wel erg laag was, bespeurde ik dat ik instemmend mee zat te knikken. Ik vind dat zij dit soort vertrouwelijke gesprekken letterlijk in de ‘back office’ moeten voeren, achter gesloten deuren zonder dat derden dit kunnen horen. Kortom ik wil eigenlijk niet ongevraagd als hotelgast door functioneringsgesprekken, vergaderingen of sollicitatiegesprekken van het hotelmanagement worden gestoord.
Ik vraag me tenslotte af of bij al dit soort zakelijke bijeenkomsten en bedrijfssessies in de openbare ruimtes van hotels de deelnemers zich van dit ‘meeluisteren’ bewust zijn. En als men dit zou weten, men hier anders mee om zou gaan.

 

Judith de Groot, HospitalityScanner
info@HospitalityScanner.com    

Een hotel opgebouwd uit legostenen

Ik las net met genoegen Marcel’s verhaal, dat ik altijd lees voordat we het in de digitale Travel Tales plaatsen. Ik werd gelijk ook enthousiast over de studentenwoningen die Marcel had gezien en die opgebouwd waren uit gestapelde zeecontainers. Het fenomeen om met losse units, ten grote van een forse zeecontainer, gebouwen te construeren is niet helemaal nieuw. Deze trend is zelfs al doorgedrongen in de hotelbouw en als HospitalityScanner ben ik daar uiteraard in geïnteresseerd.

Anderhalve week geleden, tijdens de ‘Dag van De Bouw’, ben ik in dit kader dan ook naar het in aanbouw zijnde hotel Jakarta geweest, dat verreist op de kop van het Javaeiland. Hier kon ik ter plekke zien hoe het nieuwe hotel voor een groot deel samengesteld wordt uit losse compartimenten. Met name de hotelkamers worden in de fabriek geproduceerd en worden vervolgens op een vrachtwagen aangevoerd naar het bouwterrein. Deze hotelkamerunits zijn dan in principe helemaal klaar; de wanden en de plafonds zijn al voltooid, de stopcontacten zitten op hun plek en ook het sanitair, de lampen en andere zijn faciliteiten zijn geïnstalleerd. 


Het is weliswaar geen zeecontainer, dus de stalen buitenwanden ontbreken, maar van buiten oogt het wel als zodanig, vooral als het nog op de trailer van de vrachtwagen staat. Dat laatste zag ik namelijk bij mijn recente bezoek aan de bouwplaats van hotel Jakarta.

Fascinerend vond ik het ook om te horen van een van de medewerkers van het aannemersbedrijf die de bouw van dit hotel verzorgt hoe elke dag weer units worden aangevoerd die vervolgens als een soort legostenen met een hijskraan op hun plek worden gezet.

Er blijken verschillende redenen te zijn om op deze manier te bouwen, waaronder het feit dat het gebouw sneller ter plekke gerealiseerd kan worden en het zou ook kostenbesparend zijn.

Ik ben uitermate geïnteresseerd in de vordering van de bouw van dit hotel en ik ben natuurlijk erg nieuwsgierig naar het eindresultaat. Zouden straks de hotelgasten het idee hebben dat het hotel eigenlijk uit losse elementen bestaat? Of is er als je over de hotelgangen loopt een gevoel van totale eenheid? Zou dit niet de bouwoplossing voor de toekomst kunnen zijn? Je kunt zo in relatief vrij korte tijd een hotel neerzetten.

Misschien nog mooier, je kunt het in korte tijd demonteren en vervolgens weer op een andere plek opbouwen. Je hoeft niets af te breken, maar alles in zijn geheel is her te gebruiken.

Ik kijk met interesse naar dit fenomeen en het eindresultaat en ik ben ondertussen benieuwd naar wat Marcel’s onderzoek naar de containers, die een beetje op hetzelfde principe gebaseerd zijn, oplevert.


Judith de Groot

info@hospitalityscanner.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.



Architectuur en containers

Afgelopen maandag was een mooie warme dag in Nederland en dat was voor mij een goede reden om weer eens een fikse wandeling te maken. Via de Ceintuurbaan wandelde ik door Amsterdam-Zuid en bereikte ik op een gegeven moment de Nieuwe Amstelbrug. Ik vind dit altijd een mooie plek, want als je naar de ene kant over het water kijkt zie je het historische centrum van de stad liggen, waarbij onder andere Theater Carré in het oog springt. Als je naar de andere kant kijkt dan zie je de nieuwe hoge flats waarbij de gemeente tracht een klein ‘Manhattan’ te creëren. De meest opvallende in het torenflatensemble is de zogenaamde Rembrandt Tower. Dit is met 150 meter het hoogste gebouw van Amsterdam en telt maar liefst 35 verdiepingen. Maar in vergelijking tot de wolkenkrabbers in New York is dit natuurlijk een lachertje. Aangetrokken door deze hoogbouw besloot ik mijn wandeling in die richting, stroomopwaarts langs de Amstel voort te zetten. Na verloop van tijd passeerde ik de Berlagebrug, die trouwens een onderdeel vormt van het beroemde Plan Zuid uit 1917, waar ik verleden week over schreef (klik hier).


Op de plek waar de rivier de Amstel een scherpe bocht maakt, even voorbij het gelijknamige  treinstation, was in mijn jeugd een rommelig industrieterrein. Op dit moment verreist daar een nieuwe woonwijk met appartementen in allerlei verschillende stijlen. Vooral de nabijgelegen rivieroever, met veel groen, maakt het echt een aantrekkelijke plek om te wonen. Terwijl ik in dat genoemde nieuwbouwgebied stond richtte ik mijn blik op de Spaklerweg en het evenwijdig lopende talud van de trein. Ik besloot mijn wandeling in die richting voort te zetten. Toen ik de treintunnel onderdoorliep zag ik een enorm bouwterrein waar her en der al stadsvillas in een vergevorderd bouwstadium uit de grond zijn verrezen. Opeens schoot me te binnen dat hier ooit het hoofdkwartier van de beruchte motorbende Hells Angels was en dat je hier eigenlijk als gewone wandelaar niet zoveel te zoeken had. Een andere reden dat je in dit gebied niet zo veel kwam had te maken met de hoge witte torens die een stukje verderop staan en die tot een paar jaar geleden nog bekend stonden als de Bijlmerbajes. Tegenwoordig dienen deze voormalige gevangenisgebouwen als tijdelijke opvang van asielzoekers en de dreigende hoge gevangenismuren zijn inmiddels verdwenen.


Naast het vroegere huis van bewaring, op de Wenckebachweg, werd mijn blik getrokken naar een hele reeks keetwoningen. Op een informatiebord zag ik dat het een complex met studentenwoningen was en al vrij vlot kwam ik er achter dat de basis voor deze appartementen enorme zeecontainers waren die naast elkaar waren gezet en ook op elkaar stonden gestapeld. Het oogde eigenlijk best wel als volwaardige woonflats en slechts de zijmuren deden herinneren aan het feit dat het complex uit losse containers bestond, die oorspronkelijk bedoeld waren, om gevuld met goederen, een lange zeereis over de oceaan te maken. Wat onderzoek ter plekke, ondersteund met informatie die ik direct op mijn iPhone kon vinden, wees uit dat elke woonunit (dus de voormalige container) ongeveer 12 meter lang en bijna 3 meter breed. Dus elke student had een woonoppervlak van 36 m2, en dat is voor een jong iemand die in Amsterdam studeert niet onaardig. Terwijl ik nog een tijdje stond te kijken kwam er een studente naar buiten en ik vroeg spontaan hoe het was om daar te wonen. Zij reageerde direct heel enthousiast. Mijn volgende vraag was ‘Is het nu dan niet erg warm binnen?’. 


En daarop antwoordde ze dat de containers van binnen goed geïsoleerd waren tegen warmte en kou, maar dat ze tijdens deze extreem warme dagen gewoon de ramen tegen elkaar openzette.

Alle gebouwen die ik tijdens deze wandeling passeerde intrigeereden mij, maar de containers fascineerden mij toch wel het meest. Terwijl ik richting huis wandelde bleef ik denken aan dit woonconcept. Ik heb inmiddels gezien dat er in de Rotterdamse haven containerleveranciers zijn die binnen 24 uur containers kunnen leveren. Dat zou betekenen dat je dus in een hele korte tijd een (tijdelijk) woonhuis kunt realiseren. En als je bijvoorbeeld 2 containers met een open zijkant tegen elkaar aanschuift dan heb je al een huiskamer van 72 m2. Natuurlijk realiseer ik me dat er nog het een en ander bij komt kijken om er een volwaardig woonhuis van te maken, maar als basis is de container nog niet eens zo’n gek idee. Voor mij als liefhebber van de bouwkunst is dit een reden om hier binnenkort eens wat meer onderzoek naar te doen. Je begrijpt dat ik hier dus nog wel eens op terug kom.


Marcel Verhoeven, Europakenner

verhoeven@kunststad.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


Geometrische vormen die tot nadenken aanzetten

Van de week ben ik teruggekeerd uit het mooie Boedapest en ik heb dit keer zowaar voor mijzelf een souvenir meegnomen, iets dat typisch Hongaars blijkt te zijn. Nee, het is geen Palinka drankje of Hongaarse paprika, maar het is de zogenaamde ‘Rubiks Kubus’. Ernő Rubik is een Hongaarse wiskundige, architect en uitvinder en heeft dit intrigerende speeltje eind jaren zeventig bedacht. Bij de wereldwijde introductie begin jaren tachtig van deze kubus kwam ook Nederland in de ban hiervan en ook ik maakte er toen kennis mee. De bedoeling is dat je van de kubus, die trouwens goed in je hand past, allerlei rijen kleurtjes draait om al puzzelend zes gelijk gekleurde vlakken te krijgen. In eerste instantie lijkt dit makkelijk maar het is als je onervaren bent bijna onmogelijk om deze klus te klaren.

Ooit heb ik de ‘Rubiks Kubus’ in mijn tienerjaren zonder hulp kunnen oplossen, maar nu zit ik er al dagen over te peinzen hoe ik al draaiend alle kleurtjes op de juiste zijde krijg. 


Wel een raar gezicht trouwens als je mij in het Beatrixpark in Amsterdam-Zuid bij het speeltuintje, waar mijn dochters aan het spelen zijn, aan dit icoon uit de jaren ’80 ziet draaien terwijl alle moeders en vaders druk met hun mobiele telefoons in weer zijn. Alsof ik even door de tijd aan het reizen ben en weer 35 jaar jonger ben. Terwijl ik inmiddels het hele witte vlak compleet heb van mijn ‘Rubiks Kubus’, besluit ik een wandeling over de nabijgelegen Apollolaan te maken. Op deze bekende lommerrijke laan in Amsterdam is afgelopen vrijdag de tweejaarlijkse openluchttentoonstelling ‘ArtZuid’ van start gegaan.

Wat een genoegen om zo dicht bij huis in de buitenlucht een groot aantal sculpturen bij elkaar te zien! Het eerste beeld dat ik zie is….. jawel: een witte kubus! Dit kan bijna geen toeval zijn, terwijl ik in mijn hoofd nog zit te peinzen over mijn Hongaarse ‘Rubiks Kubus’ loop ik nu tegen een kunstwerk aan met dezelfde vorm. De tentoongestelde kubus is van de kunstenaar Ewerdt Hilgemann en is op een artistieke manier ‘opengewerkt’. 


Ik raak wederom in de geometrische mood hierdoor en terwijl ik mijn kunstzinnige wandeling voortzet passeer ik vervolgens nog meer beelden die opgebouwd zijn uit abstracte rechte vormen en gestileerde vlakken. Eenmaal aanbeland bij het informatiepaviljoen op de Minervalaan, ik ben dan inmiddels halverwege de expositie, lees ik in een folder dat het thema van ‘ArtZuid’ dit keer in het teken staat van De Stijl, de kunstbeweging die dit jaar precies 100 jaar geleden werd opgericht. De sculpturen op ‘ArtZuid 2017’ tonen de invloed van de De Stijl, , op de na-oorlogse beeldhouwkunst. Nu begrijp ik ook dat ze bij het genoemde informatiepaviljoen boekjes met afbeeldingen van Mondriaan verkopen terwijl van deze wereldberoemde kunstenaar op deze expositie niets te zien is.

Niemand minder dan de voormalige directeur van het Stedelijk Museum Rudi Fuchs is de conservator van Art Zuid en heeft zijn best gedaan om in het beschreven thema zoveel mogelijk abstract geometrische beelden door de wijk in Amsterdam-Zuid te plaatsen. 


Wat trouwens een extra bijkomstigheid is wat de beelden nog meer tot hun recht laat komen is dat ze geplaatst zijn in lanen die ooit ontworpen zijn door de architect Hendrik Petrus Berlage en de architectuur in dit deel van Amsterdam staat ook wel bekend als ‘Plan Zuid’. En laat nou de eerste schetsen van dit gerenommeerde ‘Plan Zuid’ ook uit 1917 te stammen dus hetzelfde jaar als de oprichting van De Stijlbeweging. Dit maakt dat de gehele omgeving met de beeldententoonstelling mee doet. Met plezier wandel ik verder richting het NS-station Zuid en terwijl ik daar aan kom zie ik in de verte het Beatrixpark weer.
Op de kop van dit park ontwaar ik het hoofdkantoor van Akzo Nobel en denk gelijk terug aan de recente bijeenkomst van afgelopen vrijdag van de Amici (vrienden) van KUNSTSTAD aan dit kantoorgebouw. Met veel plezier bezochten we met de vaste klanten van KUNSTSTAD de kunstcollectie van dit chemiebedrijf. Aan het einde van deze zogenaamde Matinée Exlusive dronken we een glaasje wijn in de voormalige Nicolaaskapel met onder meer uitzicht over de vijver van het Beatrixpark.


Kunst en cultuur kan dus ook heel dicht bij zijn!

 

Marcel Verhoeven, Europakenner

verhoeven@kunststad.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


Laat geen spullen onbeheerd achter

Toen ik nog op de universiteit studeerde heb ik zelf een tijdje als bijbaantje in een hotel in Amsterdam gewerkt. Ik moet zeggen dat ik daar veel geleerd heb en het waarschijnlijk een mooie basis is geweest voor mijn huidige werkzaamheden. Verschillende functies heb ik er bekleed, van receptioniste, tot hoofd-housekeeping en duty manager. Je begrijpt natuurlijk dat je in een hotel in hartje centrum van onze hoofdstad best het een en ander meemaakt, zowel in positieve als in negatieve zin. Zo heb ik heel wat gezellige gezelschappen ingecheckt, zijn er talloze rookmelders afgegaan door zowel stoom vanuit de badkamer als het illegaal roken van sigaretten op de hotelkamer en heb ik meerdere cadeaupakketjes op kamers neergelegd voor mensen die iets te vieren hadden. Een situatie ik mij echter ook nog goed herinner heeft zich meerdere keren in de lobby van het hotel voorgedaan.

Veel reizigers zijn tijdens een reis gespannen en opgelucht als ze eindelijk op de plaats van bestemming zijn aangekomen. 


Men komt verheugd het hotel binnenstappen om bij de receptie de kamersleutel in ontvangst te nemen. Op dat moment valt er bijna letterlijk en figuurlijk een last van ze af en men laat vaak koffer en tas naast zich neerploffen. 

En dan begon het, een aantal minuten na het incheckproces, wanneer de gast klaar was om naar boven te gaan, bleek hun tas weg te zijn. Wat een enorme deceptie! Wij als hotelstaff letten met zijn allen voortdurend op of er geen boeven en ander gespuis in de hal en/of hotellobby rondliep, maar je herkende ze natuurlijk ook niet allemaal en je kon gewoonweg niet alleen maar daar mee bezig zijn. Echter zo’n diefstal van tas of koffer bracht natuurlijk voor zowel de gast als het personeel hele vervelende situaties met zich mee.

Mensen met kwade bedoelingen kunnen overal rondlopen en natuurlijk dus ook een hotellobby binnentreden. Laat daarom nooit een (hand)tas of iets van waarde zo maar onbeheerd achter als je in een hotel bent is mijn advies.

Van de week in ons hotel in Boedapest zat ik dan ook weer met verbazing te kijken hoe een aantal hotelgasten, met name dames, aankwam bij het ontbijt, hun handtasje op de stoel neerzette en vervolgens naar het buffet liep. Ik zelf doe dit nooit en laat alleen spullen op de tafel achter als Marcel blijft zitten om dit in de gaten te houden. Staan we allebei op dan pak ik mijn tas mee, want dit is nou typisch zo’n moment dat je geen zicht hebt op je spullen en je dus zomaar ineens alles kwijt kunt zijn. Het is natuurlijk heel vervelend om ‘in den vreemden’ aangifte van diefstal te moeten doen en onder andere je bankpasjes te moeten blokkeren.

Uiteraard is het niet zo dat je niemand meer kunt vertrouwen en daarnaast is het ook zo dat de beveiliging in hotels hoog op de prioriteitenlijst staat. Een kwaliteitshotel doet er alles aan om een gast zich veilig te laten voelen en de door mij beschreven incidenten te beperken. 


Het valt me juist altijd op dat er bij vier- en vijfsterrenhotels allerlei veiligheidsventielen ingebouwd worden zoals de aanwezigheid van een portier bij de deur, het feit dat je je sleutelkaart in de lift voor een apparaatje moeten houden om de lift te kunnen bedienen naar jouw etage toe en een gastvrouw die bij het ontbijt naar je naam en kamernummer vraagt. Maar toch kan het altijd zo zijn, zoals eigenlijk overal in de maatschappij het geval is, dat iemand het gemunt heeft op jouw eigendommen.

Laat deze blog dus even een kleine oproep tot oplettendheid zijn. Hoe mooi, groot of goed georganiseerd een hotel ook is, het kan altijd zo zijn dat er ongenood gezelschap rondloopt die het op andermans spullen heeft voorzien. Laat je spullen dus nooit onbeheerd achter.

 

Judith de Groot

info@hospitalityscanner.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


Köszönöm of Gracias

Al weer 12 dagen ben ik in Boedapest en probeer ik mij aan te passen aan de plaatselijke Hongaarse gewoontes en gebruiken. Na een tijdje in Spanje, waar ik de mensen trouwens over het algemeen heel aardig vind, valt me nu ook op hoe sympathiek de Hongaren zijn. Al vrij vlot wisselde ik het ‘Gracias’ in voor ‘Köszönöm’, dat dankjewel in het Hongaars betekent.

Hier in de hoofdstad van Hongarije ga ik op zoek niet zozeer naar de overeenkomsten met de Spanjaarden die ik kort hiervoor heb meegemaakt, of de Zuid-Italianen van een paar weken daarvoor, of met de Nederlanders die ik natuurlijk zo gewend ben. Ik heb namelijk al eens vaker geschreven (klik hier) dat ik het jammer vind dat met name in de detailhandel alles in Europa, en zelfs wereldwijd, hetzelfde wordt. Ik vermijd dus ook zoveel mogelijk kledingzaken als H&M, Zara etcetera (die je uiteraard ook in Boedapest aantreft) en zoek juist die typische winkeltjes die een land zo bijzonder maken. Hoe verheugd waren Judith en ik dan ook toen wij bij het treinstation van Boedapest verleden weekend een oubollig-uitziende etalage zagen met gedateerde pyjama’s en aanverwanten. We verwachtten dat ze hier wel eens paarse maillots en panty’s voor de dames in ons paarse gezin zouden hebben, die bij de grote modeketens nauwelijks in de collectie zitten en dus moeilijk verkrijgbaar zijn. En ja hoor, in deze ouderwetse zaak waren deze kousen in overvloed te verkrijgen. Hoe jammer zou het zijn als dit soort zaakjes zouden verdwijnen en alles uniform en gelijk in Europa wordt?


Natuurlijk kent Boedapest, als je door de binnenstad heen wandelt, zijn nationale bouwkunst. Vooral de Boedapester Secession, dat een variant is van de Jugendstil/Art Nouveau, is in het straatbeeld opvallend aanwezig en maakt de stad anders dan bijvoorbeeld Valencia of Napels. Echter als het om moderne gebouwen van de laatste 15 tot 20 jaar gaat dan lijkt het alsof er geen sprake is van verschil qua architectuur in Europa. Veel gebruik van glas, strakke lijnen, geometrisch en weinig ornamenten. Dat is toch eigenlijk wel erg jammer. Nogmaals, waarom moet alles toch zo hetzelfde zijn?

Een ander voorbeeld van de gelijkschakeling is te zien bij de jonge generatie. Of je nou in Italië bent, Spanje, Nederland of in Hongarije bent, overal turen ze eigenlijk voortdurend op elk moment van de dag, op een beeldscherm van een smartphone of tablet. Het valt me overigens op dat de leeftijd er bijna niet meer toe doet in deze digitale nieuwe wereld, want zelfs tijdens het ontbijt in alle genoemde hotellocaties zitten zowel senioren als kleuters meer naar het schermpje te kijken dan dat ze zien wat ze eten.

Wat zonde nou eigenlijk, dan ben je waarschijnlijk kort in het buitenland, waarbij je je bezoek hebt voorbereid met behulp van je computer of Ipad en dan ben je uiteindelijk op je plaats van bestemming en dat zit je wederom het meeste van de tijd met zo’n apparaat voor je neus. Het valt me de laatste tijd toch ook op dat als je bij bezienswaardigheden komt dat de meeste toeristen niet eens meer goed kijken en iets ervaren, maar gelijk foto’s met hun mobieltjes beginnen te maken. Ik denk bij mezelf wel eens dat ze straks niet eens weten of ze er daadwerkelijk geweest zijn of dat het een herinnering is die op hun iPhone staat. Ik moet eerlijk zijn dat het mij ook moeite kost om dit digitale apparaatje tijdens mijn reizen volledig aan de kant te gooien. Vroeger zocht ik mijn route door de stad uit op de papieren plattegrond die ik bij de hotelreceptie kreeg, wat niet altijd even makkelijk was want het was soms echt een puzzeltocht. Tegenwoordig wijst mijn mobieltje mij voortdurend de weg en waarschuwt mij zelfs al ik van het juiste pad af raak. Handig, of juist niet?  Het wordt wel een stukje minder spannend en zeker geen echte spannende ontdekkingstocht meer.


Ondertussen, tijdens mijn door de GPS satelliet gecontroleerde wandeling, maak ik ook regelmatig met mijn telefoon foto’s van wat ik zie, dus zowel als camera en als wegwijzer lijkt het alsof ik de smartphone nooit meer kan missen, maar echt romantisch door de stad struinen is het niet meer. Dit gevoel wordt nog eens verergerd door alle mensen om mij heen, toerist of local, die exact hetzelfde gedrag vertonen. Het voelt bijna alsof je er niet bij hoort als je je mobiele telefoon niet in je hand hebt als je door de stad heen wandelt.  Natuurlijk zeg ik tegen mijzelf dat het allemaal wel meevalt, maar in mijn achterhoofd denk ik, het moet toch niet gekker worden met die wereld waarin iedereen hetzelfde doet en wil zijn. Overal dezelfde winkels, gelijke moderne architectuur en iedereen kijkt op zijn telefoon of tablet, dat is mijn schrikbeeld. Soms denk ik wel eens, laten we alle apparaten wegdoen, laat ieder land zijn eigen gebruiken en gewoontes hanteren en iedereen weer zijn eigen gebouw ontwerpen zonder zich te laten beïnvloeden door uniformiteit. 


De wereld zou dan een stuk authentieker zijn en het reizen wordt weer een stuk spannender.

 

Marcel Verhoeven, Europakenner

verhoeven@kunststad.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


Een onderonsje met de general manager

Het laatste anderhalf jaar spreek altijd even af met de directeur van het hotel waar ik me op dat moment bevind. Ik doe dit natuurlijk in eerste instantie om kennis te maken en onder meer te vertellen wat wij met KUNSTSTAD doen en natuurlijk om ook mee te delen dat we met een groep enthousiaste kunst- en reisliefhebbers in het hotel zullen logeren.

Meestal zijn de ontmoetingen allerhartelijkst en beginnen vaak met uitwisselen van wederzijdse complimentjes. De blijken van waardering aan de betreffende general-manager zijn van mijn kant altijd oprecht, anders zou ik het betreffende hotel niet voor onze deelnemers boeken, en mocht ik iets in het hotel niet goed vinden dan durf ik dat ook te zeggen. Over goede hoteldirecteuren heb ik al eerder iets geschreven (klik hier voor mijn verhaal hierover), echter ik vind het dit keer wel leuk om te vermelden dat het me opvalt dat het hoofdmanagement regelmatig aan vrouwen wordt gegeven. 


In de afgelopen weken verbleef ik in drie uitstekende kwaliteitshotels in Napels, Valencia en op dit moment in Boedapest en in alle genoemde hotels was de directeur een vrouw.
Zijn vrouwen gewoon goed, of zelfs beter, in het verlenen van gastvrijheid? Of kunnen ze uitstekend leiding geven als het gaat om teams in de hospitalitybranche? Hebben vrouwen per definitie meer interesse in het hotelvak? Het is in bepaalde hotels in ieder geval niet gewoon. Zo heeft het beroemde Amstel Hotel in Amsterdam sinds een aantal jaar voor het eerst in 150 jaar een vrouwelijke general manager.  
De directrice van mijn mooie hotel in Boedapest is van origine Brits en de taal was dan ook geen barrière om van de week met elkaar te communiceren. We spraken honderduit over allerlei zaken die speelden in het hotel. Ze vertelde onder andere dat het hotel, dat in prima staat verkeerd maar op sommige vlakken iets veroudert, aan het eind van het jaar onder handen zal worden genomen: de kamers zullen allemaal vernieuwd en gemoderniseerd worden. Het is altijd leuk om te horen dat een hotel zijn uiterste best doet om in een perfecte staat te blijven.

De directrice vertelde mij dat één van de hoofdredenen dat men het hotel op het hoogste luxueuze peil wil hebben onder meer het soort gasten is die wij mee naar het hotel nemen. Het blijkt dus dat het type deelnemer aan de reizen van KUNSTSTAD uitermate geliefd bij dit hotel is. Ze legde uit dat de mensen waar wij mee naar het hotel komen uitermate geschikt zijn; ze waarderen de luxe en comfort, ze maken niet alleen gebruik van de hotelkamer om te overnachten maar drinken ook wat in de bar, gebruiken soms in de middag een kleine lunch en dineren zelfs een keer in het hotel. Dat laatste organiseer ik trouwens altijd in het kader van de Dinnerclub van KUNSTSTAD omdat het wel zo handig is om op de eerste dag, na een intensieve (vlieg)reis, lekker in het hotel wat te eten.

Ze ging bijna als vanzelfsprekend verder met te vertellen dat ze op dit moment het grote hotel regelmatig bijna noodgedwongen moet vullen met grote groepen andersoortige gasten om het bezettingpeil in stand te houden. 


Het bleek dat er grote deals door het hoofdkantoor van de hotelketen was gesloten met riviercruise-maatschappijen die hun klanten, die met name uit Amerika, Canada, Australië en het Verre Oosten komen, tegen een afgedwongen dumpprijs in het hotel verzamelden om ze vervolgens een nachtje in hotel te laten verblijven en dan de volgende dag op een cruiseschip op de Donau te laten stappen.
Toen ik er na ons gesprek om ging letten viel me inderdaad op dat er ‘uitgeputte’ Amerikanen door het hotel struinden. Waarschijnlijk was hun vermoeidheid veroorzaakt door een jetlag en ze ploften in de chique lobby neer op de banken en sofa’s om daar bij te komen van hun lange vlucht. Ik begreep dat het hotel slechts een plek was waar ze ‘even’ kort een nachtje konden bijkomen, maar dat het doel het bootreisje over de Donau was.

Voor de rest had ik persoonlijk niet zo veel last van deze senioren uit de States, Australië of Canada, maar ik kon me goed voorstellen dat dit niet het type gast was waar dit kwaliteitshotel op zat te wachten. 


Na de renovatie van het hotel zullen de prijzen voor dit soort ‘doorgangers’ waarschijnlijk te hoog worden en kun je je als hotel weer richten op de gasten die gewoon heerlijk voor een vakantie of een aantal dagen voor zaken in Boedapest komen, die luxe en comfort buitengewoon waarderen. Ik ben blij dat men in de hotellerie groepen als de onze waardeert.

 

 Judith de Groot

info@hospitalityscanner.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


Toenemend toerisme

Terwijl ik gisteren uit het raam van mijn hotelkamer keek naar het schitterende uitzicht over de Donau in Boedapest, zag ik onder mij op het bedrijvige Széchenyi István plein talloze touringcars, sightseeingbussen en andere typische toeristische voertuigen, zoals een ‘bootbus’, voorbij komen. Ik realiseerde me direct dat het toerisme voor Boedapest een belangrijke bron van inkomsten is, want naast al het toeristenvervoer op het genoemde plein ontwaarde ik vanuit mijn ooghoek ook de vele riviercruiseschepen die niet ver van mijn hotel aan de oevers van de Donau lagen. Op alle trottoirs in de omgeving was het een komen en gaan van groepen buitenlanders onder leiding van gidsen, al dan niet met een omhoogstekend vlaggetje, en terwijl ik dit aanschouwde vroeg ik mij af of dit nou de hoofdstad van Hongarije is waar ik naar verlangde.

Toevallig had ik net enkele uren daarvoor op de website van het Nederlandse dagblad Het Parool gelezen dat er een bedrijf gestart was met helikoptervluchten boven Amsterdam. 


Ik begreep inmiddels uit de pers ook dat onze bescheiden hoofdstad al behoorlijk te leiden heeft onder de grote toestroom van toeristen. Persoonlijk had ik enige tijd geleden ten lijve ondervonden dat ik maar met moeite door de drommen toeristen het Oudekerksplein kon bereiken, waar ik in de buurt familie wilde bezoeken. Goh, wat kan het in Amsterdam inderdaad druk zijn en ik vraag me dan ook af of Amsterdam op de genoemde toeristische helikopterrondvluchten zit te wachten. Daarnaast ben ik nieuwsgierig waar deze ‘toeristenkermis’ uiteindelijk zal eindigen. De charme van zowel Boedapest als Amsterdam, of welke bestemming dan ook, gaat er door de toeristische drukte natuurlijk behoorlijk af.

Het kan echter nog gekker, want afgelopen weekend verbleef ik twee dagen in Barcelona, omdat ik op doorreis was van Valencia naar Boedapest. Ik wandelde zoals gebruikelijk weer een paar uur met mijn dochters en dit keer viel de beurt aan de bijzondere Catalaanse hoofdstad. De architectuur van Gaudí verveeld immers nooit en ook de andere gebouwen en bezienswaardigheden in Barcelona zijn bij herhaling steeds weer de moeite waard. Opvallend vond ik in eerste instantie de behoorlijke rij die bij de kassa van het Miro museum stond, in het Montjuic Park. Wie had ooit gedacht dat de animo voor deze modernistische kunstenaar zo groot zou zijn. 

Niet veel later zag ik dat de wachtrij bij het Picassomuseum echt immense was, maar toen ik daarna op de beroemde Barcelonese wandelboulevard De Ramblas arriveerde schrok ik mij echt een hoedje. Ik kon bijna echt over de koppen van de toeristen lopen. Dit was gewoon niet leuk meer! Het lukte me met de kinderwagen niet voor- en achteruit meer te komen en ik moest ‘vluchten’ naar de relatief iets rustigere straatjes in de buurt achter de beroemde Ramblas. Dit was echt een schrikbeeld, waar Boedapest en Amsterdam eigenlijk nog heilig bij zijn, want in deze beide steden is de toerismedrukte slechts geconcentreerd op enige plekken in het centrum. Echter in Barcelona was het verspreid over de gehele binnenstad en er leek eigenlijk geen ontsnappen meer aan. Uit talrijke persberichten blijkt dat de inwoners van Barcelona dan ook steen en been klagen over deze invasie van toeristen en de bijbehorende drukte. En geef  hen eens ongelijk.

Opeens relativeerde ik weer mijn uitzicht op alle hectiek die ik beneden in Boedapest op straat zag. 


Daarbij wist ik dat hier in de Hongaarse hoofdstad nog wel een groot aantal bijzondere plekjes te vinden zijn, die echt oases van rust zijn en die voor de gasten die ik de aankomende week de stad wil laten zien nog zeer idyllisch over zullen komen. Zoals het Memento Park aan de rand van de stad, waar je je even terug in de tijd waant. Hier bevinden zich alle sculpturen van communistische helden die ooit in de binnenstad van Boedapest stonden. Nu staan Lenin, Karl Marx, Friedrich Engels en de laarzen van Stalin naast elkaar in een parkachtige omgeving opgesteld en vormen ze in deze setting een soort tijdreis voor de bezoeker aan Hongarije. Veel toeristen hebben deze bezienswaardigheid gelukkig nog niet ontdekt en dat maakt deze plek mede zo aantrekkelijk.

Natuurlijk zijn er ook bijzondere steden in Europa te vinden waar het toerisme nog niet echt vat op heeft gekregen en waar je als bezoeker echt de authenticiteit van de stad kunt ervaren. Zo’n stad is bijvoorbeeld Porto, de tweede stad van Portugal. Wat heb ik afgelopen kerst en Oud & Nieuw van deze stad genoten. 


En wat is het ook een genoegen om hier met een groepje van KUNSTSTAD in september terug te keren. (klik hier voor meer informatie over deze reis). In Porto ervaar je hoe een plaats, die toch ook al relatief populair aan het worden is, gewoon als stad functioneert zonder dat je struikelt over de toeristen. Je beleeft echt de lokale gewoontes en gebruiken zoals het hoort te zijn.

Natuurlijk zijn er ook steden die bekend zijn om de vele toeristen, maar die desondanks meer dan de moeite waard zijn om te bezoeken, zoals bijvoorbeeld Venetië. De Lagunestad heeft de naam, niet onterecht, dat het een toeristenstad is. Maar er zijn ook hier periodes in het jaar dat de het aantal bezoekers enorm daalt. Het toeristenseizoen loopt ook hier op een bepaald moment van het jaar af en dat is rond half november. Daarom kies ik er voor om op zo’n moment naar deze typische Italiaanse kunststad te gaan, want Venetië mag je als (moderne) kunstliefhebber nou eenmaal niet overslaan. 


Helemaal niet als dit jaar weer de beroemde Biënnale plaatsvindt. In november zijn de laatste weken van dit bijzondere kunstevenement en het is dus genieten van een overvloed van kunst, terwijl je niet afgeleid wordt door de toeristendrukte (klik hier voor meer informatie over deze reis).

Zo zie je maar dat het een uitdaging blijft, trouwens met veel plezier en succes, om de meest ideale en interessante reizen voor onze deelnemers te organiseren. Het vergt een goede voorbereiding en onderzoek om net die locaties te vinden en de juiste planning te hanteren om een bepaalde stad ten volste, in alle rust, zonder de afleiding van grote groepen toeristen, te ontdekken.

 

Marcel Verhoeven, Europakenner

verhoeven@kunststad.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


Mag het een kilootje minder zijn?

Je bent op reis, privé of voor zaken en je komt na een reis, die toch altijd vermoeiend is, aan in je hotelkamer. Je zet je koffer weg, trekt je schoenen uit en gaat je handen wassen in de badkamer.  Zie je het nou goed, staat daar daadwerkelijk een weegschaal onder de wastafel?

Deze week in mijn badkamer in Boedapest zag ik het inderdaad weer eens goed, er stond echt hier een personenweegschaal opgesteld. Het is niet voor het eerst dat ik dit in een hotel aantref en telkens stel ik mijzelf de vraag: ga ik er op staan of niet? Of berg ik de weegschaal snel op in de klerenkast?

Okee, ik ben de laatste tijd wel weer een beetje aangekomen en dat voel ik intuïtief gewoon, maar de behoefte om op de kilo exact te weten hoeveel ik weeg heb ik eigenlijk niet. Ik vraag me dan ook elke keer af waarom het hotelmanagement van bepaalde hotels waar ik mij bevind besluit om op hotelkamers zo’n weegapparaat neer te zetten. Mijn inziens hoort dit bij de categorie ‘nutteloze zaken’ thuis, waar ik ooit al eens over schreef (lees hier).

Zoals je begrijpt mag de weegschaal van mij uit mijn hotelkamer verdwijnen en plaats maken voor zaken die ik wel belangrijk vind.


Als frequente hotelgast heb ik bijvoorbeeld wel behoefte aan iets heel kleins en simpels, zoals een doosje met tissues in de badkamer. Gelukkig is het regelmatig het geval dat zoiets aanwezig is, maar helaas toch ook vaak weer niet. Als wij met zijn vieren op reis zijn dan gebruiken we ongeveer één doosje tissues per drie dagen. We gebruiken deze zachte papieren doekjes te pas en te onpas; voor het snuiten van neuzen, monden afvegen van de kinderen, iets op te ruimen als er weer eens iemand geknoeid heeft en ook om bijvoorbeeld even over de zanderige kinderschoenen heen te halen. Ze zijn dus multi-inzetbaar en voor ons dus eigenlijk bijna onmisbaar.

Toch zijn er kwaliteitshotels die geen tissues in de badkamer neerzetten. Het enige alternatief is dan om ‘gewoon’ toiletpapier voor alle genoemde handelingen te gebruiken, maar dat voelt toch anders. De stukjes toiletpapier zijn een ander formaat, het is minder zacht en de textuur is veel ruwer. Maar als het niet anders kan dan zit er dus niks anders op.

In de categorie ‘klein leed’ hoort in dit kader het feit dat het wel eens voorkomt dat bij binnenkomst in onze hotelkamer er toevallig nog maar één of twee tissues in het doosje zitten. Waarschijnlijk hebben onze voorgangers ook gretig gebruikt gemaakt van de papieren doekjes. Als dit bovenstaande het geval is dan loop ik gelijk met het lege doosje naar de receptie, ook al is het al laat op de avond, en vraag een nieuw vol doosje; zo onmisbaar zijn de tissues voor ons.

Tja, zo zal iedereen wel zijn eigen wensen en eigenaardigheden hebben. Ik ben eigenlijk wel nieuwsgierig naar wat jij onmisbaar in een hotelkamer vindt?  En wat vind jij eigenlijk totaal overbodig?


 

 Judith de Groot

info@hospitalityscanner.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


De belangrijke taak van een conciërge

Over hotels en hospitality raak ik zoals je merkt niet uitgeschreven. Er zijn altijd wel weer zaken die mij tijdens een verblijf in een kwaliteitshotel opvallen en die het vertellen waard zijn. Deze dagen, in een vijfsterrenhotel in Valencia, werd ik bijvoorbeeld aan het denken gezet over het fenomeen de ‘hotelconciërge’. De meeste vijfsterrenhotels in de wereld, en soms ook de viersterren superior, beschikken over een conciërge. In de ‘gewone’ drie- en viersterrenhotels worden de werkzaamheden van de conciërge doorgaans verricht door de receptiemedewerkers en ontbreekt deze hotelfunctie dan ook. Echter het beroep van conciërge is een specifiek ambt in de hotellerie en wordt meestal uitgevoerd door een man. Hij heeft apart van de receptie een eigen bureau of desk, vaak op een hele andere plek dan de receptie ergens in de lobby, en verricht vanuit daar allerlei ondersteunende diensten voor de hotelgasten. Dit specifieke beroep van conciërge hoort bij een hotel in het hogere segment en is uitermate belangrijk in mijn ogen. Zo helpt de conciërge je bijvoorbeeld bij aankomst even met de koffers en heeft daar soms zelfs assistenten voor die hij bij deze taak aanstuurt. 


De conciërge belt daarnaast ook een taxi voor je of regelt entreebewijzen voor musea of theatervoorstellingen. En hij weet vaak allerlei praktische zaken zoals openingstijden van winkels, plekjes waar je bepaalde spullen kunt kopen en hij heeft suggesties voor geschikte restaurants. Kortom, de ideale vraagbaak en hulp voor een hotelgast die gewend is aan luxe en comfort en die er geen behoefte aan heeft om zelf allerlei dingen uit te zoeken. 

Echter het valt mij toch regelmatig op dat conciërges in hotels niet goed op de hoogte zijn van allerlei zaken die ik hen voorleg. Zo vraag ik regelmatig in de steden waar ik kom of zij weten waar een wasserette is waar we de kinderkleren kunnen wassen. Vaak gebeurt het dan dat zij eerst driftig op internet moeten googlen. Terwijl ik dan denk, je kent je buurtje toch wel en je weet toch wel waar in de nabije omgeving een wasserette is.

Of wat mij hier in Valencia overkwam, en wat aanhaakt bij het verhaal van Marcel van deze week, is dat ik aan de vriendelijke conciërge vroeg, die absoluut goedwillend was, waar hier een bar of gelegenheid was met flamencomuziek of iets soortgelijks. Hij wist mij er direct op te wijzen dat dit een typisch Andalusische aangelegenheid was en niet in Valencia thuis hoorde. Maar ik zei tegen hem dat er toch wel iemand uit het zuiden van Spanje op het idee is gekomen om hier een bar te openen met live flamenco muziek? Hij tuurde een tijdje naar zijn computerscherm en kwam uiteindelijk pas een uur later met een tentje aan dat alleen in het weekend open zou zijn en dat redelijk ver van het hotel gelegen was waar flamenco op het programma stond. De afstand van deze Andalusische bar en de beperkte openingstijden hiervan kon mijn conciërge op zich ook niets aan doen, echter wat mij ontzettend frappeerde was dat hij niet op de hoogte was van het feit, dat wij trouwens ook pas later op de dag zagen, dat op slechts enkele tientallen meter van het hotel een Andalusisch festival met muziek en dans zou gaan plaatsvinden. 


De volgende dag begon ik daar met hem over en toen lachte hij vriendelijk naar mij, maar ik dacht in mijn achterhoofd ‘zo’n evenement zou een goede conciërge toch moeten weten’. Hij dient op de hoogte te zijn van alle grote en bijzondere activiteiten in de buurt van het hotel en zijn gasten hierover kunnen inlichten, helemaal als ik hem een eerder verzoek deed dat ik naar zoiets op zoek ben.

Iets anders dat me ook opvalt in dit kader is dat als ik conciërges wel eens vraag of ze een goed restaurant weten dat ik dan toch vaak door hen naar typische toeristenzaken word gestuurd waarbij je in een oogopslag ziet dat het vol zit met buitenlandse bezoekers, terwijl ik juist, met name voor de KUNSTSTAD deelnemers, op zoek ben naar etablissementen waar de locals komen. Dus ik wil terecht komen in restaurants waar de sfeer van de betreffende stad tot uitdrukking komt en niet waar ik alleen maar talen hoor van gasten die niet uit de bezoeken stad komen. Tegenwoordig ga ik er zelfs vanuit dat de tips die conciërges geven juist niet die zijn waar ik naar op zoek ben. Toch loop ik er vaak nog wel even voorbij en wordt dan meestal in mijn mening bevestigd.


"Ik heb het gevoel dat ze regelmatig onnodig steekjes laten vallen"



Wat betreft dat laatste begrijp ik dat wel, want doordat ik inmiddels al zo lang meedraai in het (inter)nationale toerisme, weet ik dat conciërges van bepaalde restaurants commissie krijgen als zij hotelgasten aanbrengen. Helaas zijn dat soort eetgelegenheden daarom vaak erg toeristisch en niet meer authentiek.

Ik zou het trouwens wel eens leuk vinden, zit ik nu te denken, om een seminar aan conciërges, in combinatie met hun leidinggevenden, oftewel de general managers waar ik laatst als een over schreef (zie hier), te geven over het vraagstuk hoe de rol van de conciërge veel beter tot zijn recht zou kunnen komen zodat hotelgasten in het hogere segment nog meer daarvan kunnen profiteren.

 

Judith de Groot

info@hospitalityscanner.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


Valencia is geen Andalusië

Zoals de meeste trouwe lezers van mijn reisverhalen weten ga ik tijdens onze vele buitenlandse trips regelmatig op pad met mijn twee dochters. We bezoeken samen talloze musea, we wandelen door allerlei straatjes en over pleinen van bijzondere steden, we gaan bijna vanzelfsprekend naar verschillende speeltuinen en genieten van de lokale sfeer die elke stad heeft. Voor onze zwerftochten in de buitenlucht is mooi weer natuurlijk het prettigst en daarom zijn we zo verzot op het zonnige Spanje. De afgelopen dagen was het weer hier in Valencia heerlijk warm, alsof we al midden in de zomer waren aanbeland. Tijdens onze reizen houden we ons ook altijd aan het aloude gezegde “when you are in Rome do as the Romans do”, dat betekent onder meer dat Chloé en Alizia na een uitgebreide ochtendexcursie aansluitend na de lunch hier in Valencia, tijdens de warmste periode van de dag, een paar uurtjes siësta houden. Een middagslaap is hier trouwens voor kleine kinderen belangrijk aangezien de dinertijd in Spanje pas na half negen in de avond is en dat zou voor Nederlandse en ook Spaanse jeugd, zonder middagdutje, veel te laat zijn.


In de reisgarderobe van mijn dochters zitten ook twee, zoals zij dat noemen, ‘Spaanse jurken’. Die trekken ze graag ’s avonds aan als we op een mediterrane plek zijn en zij verheugen zich er dan op om ergens naar toe te gaan waar Flamenco muziek wordt gemaakt. Natuurlijk het liefst live inclusief één of meer danseressen. Bij navraag in ons hotel of er hier in Valencia een plek te vinden was met flamenco muziek, zij men dat dit typisch iets Andalusisch is en dat dat dus eigenlijk niet Valencia te vinden is. De teleurstelling was in eerste instantie van de gezichten van mijn dochters af te lezen toen ik dit ook aan hun meedeelde.

Totdat ik een uur later werklui in het nabijgelegen Turiapark druk in de weer zag met het opzetten van allerlei grote tenten. Boven de entree van dit festivalterrein in aanbouw stond met grote letters ‘Gran Feria Andaluza’. Bij navraag bleek dat de volgende dag hier een groot Andalusisch festijn van start zou gaan met allerlei optredens van flamenco dansers en danseressen, in combinatie met andere typische activiteiten uit deze Zuid-Spaanse regio. Goh, vielen wij even met de neus in de boter. 

Mijn positieve gevoelens voor Andalusië werden deze dagen trouwens nog eens extra aangewakkerd door het feit dat ik na twee drukke reizen met een KUNSTSTAD-groep eindelijk tijd had om het boek ‘De Tribune van de Armen’, van schrijfster Mariët Meester, waar ik tijdens mijn vliegreis naar Napels aan begonnen was, verder uit te lezen. (klik hier voor mijn blog hierover). Mariët nam mij op een meeslepende wijze in haar verhaal mee naar mijn geliefde stad Málaga. Alhoewel Valencia en Málaga allebei steden in Spanje zijn, die qua temperatuur en natuur, zoals de sinaasappel- en palmbomen, veel overeenkomsten hebben zijn het op cultureel vlak totaal andere steden. Zo dragen bijvoorbeeld in Valencia de mannen en vrouwen bij feestelijke aangelegenheden prachtige kledij die onder meer opvalt door hun zijden accessoires en uitgebreide geborduurde stiksels. Zo stonden wij eind november op het Plaza de la Virgen met een hele groep Valencianen die traditioneel Valenciaans gekleed was. De foto die wij toen maakten met hen konden wij trouwens prima gebruiken voor onze persoonlijk kerstgroet aan de KUNSTSTAD-deelnemers.


De traditionele Andalusische jurken zijn daarentegen echter van hele andere snit. De dames dragen daar lange jurken, die erg getailleerd zijn en waarbij het onderste gedeelte in kleine laagjes over elkaar uitloopt. Onder de ‘rok’ vallen de hooggehakte lakschoenen op waar de danseressen zo kenmerkend tijdens het dansen mee stampen. Natuurlijk hebben mijn dochters ook dit soort lakschoenen, want dat geklak op de grond vinden ze fantastisch. Wat werden Chloé en Alizia inderdaad de volgende dag op hun wenken bediend, toen zich op allerlei podia in de feesttenten op het festivalterrein Andalusiërs, die in Valencia wonen, verzamelden. Je moet dit eigenlijk een beetje vergelijken alsof alle in Amsterdam wonende Limburgers bij elkaar komen voor een Limburgs feestje in het Vondelpark en die dan vervolgens behoorlijk uit hun dak gaan. Vanuit meer dan vijftien tenten hoorde je de flamencoklanken en het duurde dan ook niet lang of mijn dochters stonden op één van die bühnes geestdriftig te dansen. Wat hadden ze het naar hun zin!


Grappig om dus uiteindelijk twee verschillende typische Spaanse culturen op één bestemming tegelijkertijd te mogen meemaken. Al het moois van Valencia en al het bijzondere van Andalusië.

 

Marcel Verhoeven, Europakenner

verhoeven@kunststad.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


“De Valenciaanse vleermuis begroet me vanuit mijn kamer”

Afgelopen week kwam mijn verblijf in Napels na bijna 14 dagen ten einde en werd ik verwacht in het prachtige Spaanse Valencia. Rechtstreeks vliegen vanuit Napels naar Valencia was niet mogelijk dus vloog ik afgelopen vrijdag met een tussenstop samen met mijn twee dochtertjes Alizia en Chloé via de luchthaven van Barcelona naar mijn uiteindelijke bestemming. Judith zou pas later die dag komen aangezien zij die de reisgroep van KUNSTSTAD nog de laatste bezienswaardigheden van Napels wilde laten zien om hen vervolgens naar het Napolitaanse vliegveld te begeleiden.

Tijdens het opstijgen had ik een prachtig zicht op de Vesuvius en ongeveer twee uur later zagen we tijdens de daling de zeehaven van Barcelona omringd met moderne gebouwen, in de verte ontwaarde ik het gelijkmatige stratenpatroon van de beroemde negentiende eeuwse wijk met de gebouwen van Gaudí en ik kon zelfs een glimp van zijn Sagrada Familia opvangen. 


Mijn eerste etappe zat erop en ik bereidde mijn meiden er alvast op voor dat we na een pauze van een paar uurtjes weer verder zouden gaan vliegen. Chloé en Alizia hebben er in hun korte leventje inmiddels al zeer veel vlieguren op zitten dat ze hier niet meer van opkijken en zonder veel moeite stapten ze aan het eind van de middag weer aan boord om een kort ‘vluchtje’ te maken van Barcelona naar Valencia.

De taxibus stond op de Valenciaanse luchthaven al op ons te wachten en bracht ons vliegensvlug naar ons mooie hotel dat nabij het centrum van de stad was gelegen. Toen ik mijn hotelkamer binnenstapte voelde ik me direct thuis want we hadden in de afgelopen jaren wel vaker in dit luxueuze vijfsterrenhotel verbleven en ze hadden ons dezelfde kamer als de vorige keer gegeven.

Toen ik uit mijn hotelkamerraam keek werd ik er direct aan herinnerd dat ik me in Valencia bevond want ik had uitzicht op een schild met het stadswapen van het nabijgelegen overheidsgebouw dat boven het dak van het hotel uitsteekt. Het stadswapen van Valencia wordt bekroond door een vleermuis. En de vleermuis komt als symbool voortduren terug in de stad. Op talrijke vlaggen die in de stad wapperen zie je het stadswapen met prominent de vleermuis erbij, en ook siert het de vele putdeksels in de straten van de stad.

De stad Valencia is sinds de dertiende eeuw verbonden met de vleermuis. Volgens de overlevering landde een vleermuis op de schouder van Rey Jaime I (Jacobus I. in het Nederlands), de koning van Aragón toen hij de stad Valencia heroverde op de Moren. Er blijken trouwens nog andere varianten van het verhaal van Valencia en de verbondenheid met de vleermuis te zijn, maar een feit is dat de vleermuis onmiskenbaar het symbool van de stad is. 


Niet verwonderlijk is het dan ook dat de voetbalclub van Valencia de vleermuis als hun herkenningsteken heeft.

Een paar jaar geleden las ik in de Nederlandse kranten een opmerkelijk verhaal in dit kader: DC Comics, de uitgever van onder meer de Batman-strips, sleepte de genoemde Spaanse voetbalclub Valencia C.F. voor de rechter. Het beoogde nieuwe logo van de voetbalclub zou te veel op het Batman-logo lijken. De Amerikaanse stripmaker heeft daarom een klacht ingediend bij de European Trademark Agency om te klagen over de nieuwe versie van de Valenciaanse vleermuis. De Amerikaanse uitgeverij ving bot want zoals ik schreef wordt de vleermuis al sinds de dertiende eeuw op vlaggen en wapenschilden gebruikt in deze streek van Spanje en de voetbalclub van Valencia gebruikt het fladderende dier al sinds de jaren '20 van de vorige eeuw in haar logo. Batman zag het levenslicht pas in 1939, dus de Valencianen kunnen zich gewoonweg langer op dit beeldrecht beroepen.


Wat trouwens wel grappig is van de ligging van mijn hotel is dat het slechts enkele straten is verwijderd van het stadion van voetbalclub Valencia C.F. en terwijl ik een rondje om het hotel wandel zie ik de tribunes van het stadion in de verte al liggen. Aan de buitenmuren van het voetbalstadion hangen grote banieren en wat prijkt daarop? Jawel hoor…. de vleermuis.

 

Marcel Verhoeven, Europakenner

verhoeven@kunststad.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


Wat doe jij als je een hotelkamer binnen komt?

Wat is het eerste dat jij doet als je een hotelkamer binnen komt lopen? Ik heb het wel eens gehad over het feit dat ik dan al vrij snel mijn tijdelijke thuis aan het herinrichten ben (lees hier mijn blog hierover) en dat ik de gordijnen openschuif om te kijken naar het uitzicht (ook hier besteedde ik eerder aandacht aan). Echter het aller allereerste wat ik in een hotelkamer doe is mijn koffertje ergens neerleggen. Vaak is de vraag dan ‘waar doe ik dat?’

Terwijl ik dit schrijf realiseer ik me dat wij het met ons gezin vrij makkelijk hebben om een geschikt plekje te vinden omdat wij slecht met twee kleine koffertjes reizen, die in het vliegtuig gezien worden als handbagage. Wij kunnen onze bagage dus meestal wel makkelijk in de hotelkamers waar we komen kwijt. Echter de meeste reizigers, onder meer onze klanten van KUNSTSTAD, hebben vaak een grote ‘normale’ koffer en daarnaast meestel ook nog handbagage bij zich. Ook reist een deel van hen met z’n tweeën waarbij er dus geregeld sprake is van twee of meer koffers in een hotelkamer. Je kunt je voorstellen dat dit tot ruimtegebrek kan leiden in een hotelkamer.


Wat ik zelf in dit kader heel prettig vind is om mijn bescheiden koffertje (maat 55 x 40 x 25) op een verhoging in een kast neer te leggen, zodat ik niet hoef te bukken en ik de deur van de kast kan sluiten. Ik laat de meeste van mijn spullen, behalve jurkjes die kunnen kreuken, namelijk in mijn koffertje zitten. Als ik iets nodig heb open ik de kast, duik ik mijn koffer in en ik berg het er ook weer in op. Dat werkt uitstekend. Gelukkig is er in de vier- en vijfsterrenhotels waar wij verblijven vaak ruimte genoeg in de kast om onze twee koffertjes op deze manier neer te zetten.

Soms lukt dit echter niet, maar zijn er andere mogelijkheden gecreëerd. De opbergvariant die ik het meest aantref is een opklapbaar krukje dat dikwijls in de garderobekast is weggeborgen. De bedoeling daarvan is dat je dit ergens in de kamer openklapt en daar je koffertje oplegt. Ik vind dit zelf niet de meeste ideale manier, want zo’n krukje is vaak gammel en voor een grote koffer is het natuurlijk helemaal niet geschikt. Naast dat het niet past kun je je koffer namelijk niet openen want dan wiebelt de standaard om. 


Een grote koffer vul je namelijk aan twee kanten en om je kleding die je opgeborgen hebt in de zogenaamde dekselkant te kunnen bereiken dien je toch echt je koffer plat neer te leggen, anders valt de gehele inhoud eruit.

Een andere optie is als een hotel een soort vaste bank in de kamer heeft geïnstalleerd. Deze is natuurlijk wat stabieler dan de opklapbare variant en biedt wat meer ruimte. Hoewel een grote koffer daar vaak ook een stuk overheen steekt.

Het blijft als je met zijn tweeën reist dus zoeken naar de meest ideale plek om je koffers te plaatsen, zodat ze niet in de weg liggen, ze niet kunnen vallen en je ze gemakkelijk open kunt klappen. Er blijven volgens mij maar twee mogelijkheden over in zo’n geval. Je legt de koffers in een hoek van de kamer op de grond neer, je pakt de gehele koffer uit en zet de koffer in de kast of schuift hem bijvoorbeeld onder het bed.


Een goede oplossing trof ik laatst trouwens in een hotel in Amsterdam. Daar was een lade onder het bed geïnstalleerd, waar je je tas of zelfs een middelmaat koffer in kon opruimen. Dat is nou eens inventief. Maar verreweg de ultieme manier om je koffer weg te bergen blijft toch de inloopkast, waar ik het verleden week over had.

Loop jij ook wel eens tegen dit ‘opruimprobleem’ aan en hoe wat voor oplossingen heb jij ervoor gevonden om je koffer op een goede manier in je hotelkamer te plaatsen?

 

Judith de Groot

info@hospitalityscanner.nl

Klik op de afbeeldingen in het verhaal om ze te vergroten.


De inloopkast is toch wel erg handig!

Terwijl ik mij afgelopen week aan het aankleden was realiseerde ik me dat ik bij één fenomeen in hospitality in mijn blogs nog nooit echt heb stilgestaan en dat is de kastruimte waarover je kunt beschikken tijdens je verblijf in een luxe hotel.

Meestal laat ik het grootste deel van mijn kleding in de koffer zitten echter mijn jurken hang ik graag even uit aan een kledinghangertje (over het ‘hangertje’ in een hotel heb ik eerder geschreven, klik hier). Zo blijven deze kledingstukken mooi en zijn ze voor het gebruik minder gekreukeld.
Soms hebben luxe hotels echter slechts een soort transparant wandmeubel met enkele planken en een klein stangetje waar maar enkele hangertjes aan hangen. Hier kan ik vaak niet al mijn kleding in kwijt. Er zitten meestal dan ook geen kastdeuren voor deze zeer eenvoudige kastconstructie en dit kan bijna vanzelfsprekend mijn goedkeuring niet wegdragen. Ik vind zoiets een idee geven van een soort goedkoop
Ikea-kastje’, die er wellicht erg aardig uit ziet als er geen kleding in hangt, maar waar je weinig aan hebt als je er daadwerkelijk kleren in wil opbergen. 


Zo’n eenvoudig open klerenkastje lijkt misschien leuk en handig maar zodra je als hotelgast je spulletjes er in uitstalt wordt het ineens een totaal onoverzichtelijke rommel van kledingstukken in allerlei soorten en maten. Dit komt niet alleen door het uitstallen van je kleren, maar ook door het erbij zetten van schoenen, tijdschriften en andere zaken die je op wilt ruimen. Kortom, het geheel ziet er niet meer uit. Daarnaast vind ik de weinige kast- en gaderoberuimte die zo’n open kastconstructie biedt sowieso zeer irritant en niet congruent voor een vier- of vijfsterrenhotel.

Het kan echter soms ook heel anders; dan beschik je over zeeën van kastruimtes, waarbij er meerdere kasten over de hotelkamer verspreid staan. Ik vraag me in zo’n geval wel eens af wat hier dan de bedoeling van is. Ik zou hotels waar dit in voorkomt voorstellen om een aantal kasten te verwijderen zodat je iets meer ruimte creëert in de hotelkamer. Ruimte om je te bewegen is namelijk ook heel wat waard. 


Echt handig vind ik het pas als mijn hotelkamer een zogenaamde walk-in closet heeft en dat is hier tijdens mijn verblijf in Napels het geval. Zoals de naam als aangeeft is hier sprake van een aparte ruimte, een soort extra kamertje, waar zich allerlei stangen met klerenhangers, kastplanken, lades e.d. bevinden en waar je eigenlijk in de hele ‘inloopkast’ je spullen overzichtelijk in kwijt kunt. Na gebruik van deze enorme gaderobekast wandel je eruit en doe je de deur achter je dicht. Opgeruimd staat netjes! Ook mijn koffers, schoenen en de kinderwagens kan ik in deze enorme ruimte kwijt en nog steeds is er op die plek genoeg bewegingsvrijheid. Als groot bijkomend voordeel bij de aanwezigheid van zo’n aparte kledingruimte is het feit dat er in de rest van de hotelkamer, of op dit moment in onze juniorsuite (die bestaat uit twee kamers) geen ‘kledingtroep’ en dergelijke ligt.